Jan Willem Bros (photo) translated pages from „The Book of Whispers” (Het boek der fluisteringen) in neerlandish

 

 

De auteur:

Varujan Vosganian (1958) is econoom, politicus en schrijver. Hij is sinds 1990 lid van het Roemeense parlement en is enige tijd minister van Economische Zaken en minister van Financiën geweest voor de Liberale Partij. Vosganian heeft drie dichtbundels en een bundel korte verhalen gepubliceerd voor het verschijnen van Cartea şoaptelor in 2009. Het werd in Roemenië uitgeroepen tot ‘Boek van het jaar 2009’. In 2013 verscheen een nieuwe verzameling korte verhalen.

 

Het boek:

Door Cartea şoaptelor aan te duiden als een ‘roman’ zet Vosganian de lezer eigenlijk op het verkeerde been. Het boek is een familiegeschiedenis en een geschiedenis van de Armeniërs in Roemenië. Het is schilderachtig en beeldend, maar tegelijkertijd aangrijpend en schrijnend. Het boek wordt ondersteund door het Roemeense Boekcentrum, dat de volgende promotionele tekst heeft gepubliceerd:

 

‘Le roman Le Livre des chuchotements condense, à partir de la mémoire personnelle et familiale de l’auteur l’expérience tragique et le destin de tout un people. Brillant de mille facettes enveloppantes, la narration est en permanence un commentaire d’elle-même. Le récit mobilise le talent du poète lyrique, du conteur oriental, de l’historien politique et du leader communautaire, absorbant comme un polypier des dizaines d’histoires de vie tirées de l’histoire récente des Arméniens que la Roumanie a adoptés après l’exode consécutive au grand massacre de 1915, avant que le communisme ne les contraigne à s’exiler aux quatre vents. Alliage narratif de mémoires historiques et d’épopée, de documentaire et de fabulation à la manière du réalisme magique, la formule narrative est ingénieuse et paradoxale. Presque tous les personnages sont identifiables à leur modèle réel. Le livre des chuchotements est sans doute un des textes roumains les plus forts publiés après la chute du communisme; et probablement la plus précieuse reconquête de la mémoire et de l’histoire moderne des Arméniens.’

 

Het boek komt in aanmerking voor subsidiëring door het Roemeens Cultureel Instituut. Het boek der fluisteringen is inmiddels vertaald in het Frans, Italiaans, Hebreeuws, Armeens, Duits, Spaans en Zweeds. Vertalingen in het Servisch, Tsjechisch en Hongaars zijn gepland.

Varujan Vosganian

Cartea şoaptelor – Het boek der fluisteringen

 

[fragment 1, p. 1 t/m 18]

 

Een

Ik besta vooral uit wat ik niet hebben weten te bewerkstelligen.

Van alle levens die ik met me meedraag, als een bundel van bij hun staarten verstrengelde slangen, is het leven dat ik niet zelf heb geleefd het meest waarachtige. Ik ben een man die onzeglijk op deze aarde heeft geleefd. En die evenveel niet heeft geleefd.

 

Mijn ouders zijn nog in leven. Dat houdt in dat ik nog niet geboren ben, of althans niet volledig. Zij ronden mijn schonkige schouders nog een beetje. Zij gieten nog een beetje ziel in mijn borst, die van omtrek verandert, zoals de amfora’s van de oude Grieken de vorm aannamen van de wijn die tussen hun wanden indikte. Ze strijken mijn koperen gelaat nog wat glad.

Aangezien ik nog niet volledig geboren ben, is de dood nog ver. Ik ben zo jong, dat ik van de dood zou kunnen houden, zoals men van een mooie vrouw houdt.

Mijn eerste leermeester was een bejaarde engel. Wie van afstand naar ons zou hebben gekeken, achter in de tuin, zou een kind hebben gezien, gezeten aan de voet van een reusachtige notenboom. In werkelijkheid zat ik aan de voeten van die bejaarde engel, die mijn leermeester was. Zijn schaduw geurde naar jodium en onder het schrijven raakten mijn vingers besmeurd met zijn schaduwen, als geronnen bloed. Totdat ik niet meer wist wiens wond het was, de mijne of die van hem.

Van hem heb ik geleerd dat je naam geen enkele doel dient. Zelfs mijn eigen naam zou ik zonder hoofdletter kunnen schrijven, als de naam van een boom of van een wild dier. We spraken woordeloos met elkaar en het voelde goed, zoals wanneer je blootsvoets door het gras holt. Er blijven geen sporen achter, daarom is het geen zonde om over het gras te lopen. Ik trok mijn sandalen uit en rende over het landje aan de rand van de stad. Zijn schaduw viel over de mijne en we waren gelukkig.

Op een dag was de bejaarde engel verdwenen. Vol verwondering keek ik naar de notenboom, zijn dikke stam, de sappige bladeren. Op de takken streken vogels neer. In de herfst schudde de wind aan de takken en vielen er walnoten op de grond. Ik kraakte hun doppen en at ze op. Ze waren lekker. Ik at van zijn lichaam. Sindsdien heb ik niet meer naar de bejaarde engel gezocht. Alleen de jodiumgeur is achtergebleven en soms zie ik de zwart-groene sporen nog op mijn vingers. Een teken dat het vlees eronder nog niet is genezen.

 

Het Focşani van mijn jeugd was een stad met brede straten en indrukwekkende huizen. Naarmate ik ouder werd, werden de straten smaller en veranderden de huizen in stulpjes. Zo waren ze eigenlijk altijd al geweest, maar mijn kinderoog verleende er, zoals in feite voor de hele wereld gold, enorme afmetingen aan, louter voor mijzelf. Ze hadden voor de funderingen van de huizen en voor de steunpilaren van de veranda’s geen balken van droog hout moeten gebruiken, maar levende boomstammen. Dan zouden de huizen en de mensen samen zijn gegroeid, dan zou de wereld niet slinken en de tijd niet ingekort worden.

Sinds de Tweede Wereldoorlog was er maar weinig veranderd. Onze wijk, aan de oostkant van de stad, had ongeplaveide straten en trottoirs, zodat de stoep slechts door een rij stenen, een handbreedte hoog, van de straat werd gescheiden. De schuttingen waren van hout, soms strak in de verf. Meestal bestonden ze echter uit ongelijke, over elkaar heen gespijkerde latjes, ongeschilderd of bestreken met witkalk. Aan de voet van de schuttingen groeide kamille. Tegen de herfst plukte ik de welriekende bloemetjes. Mijn grootmoeder legde die dan in de tuin te drogen, voor de heilzame thee die er in de winter van werd getrokken. Zoals ze soms ook deed met de halve abrikozen en, iets later in het jaar, met pruimen en partjes appel. Gedroogd fruit was goed tegen de honger, want je moest er lang op kauwen. En als je geduldig was en lang genoeg kauwde, kreeg het de smaak van vlees.

Onze straat was kort. Hij bestond uit slechts tien huizen plus, op de hoek, de muren van de ijsfabriek die we Frigorifer noemden. De naam van de straat was 6 Martie 1945. Op het straatnaambordje was daar een uitleg aan toegevoegd: ‘Installatie van de eerste democratische regering.’ Na de Revolutie van 1989, toen de gemeenteambtenaren de regering van 1945 niet meer zo democratisch vonden, werd de naam van de straat gewijzigd in Jilişte, om redenen die mij onbekend zijn. In die periode stuurde ik een brief naar huis. Deze kwam enkele maanden later aan, de posterijen hadden hem, omdat ze dat het meest voor de hand vonden liggen, naar het dorp Jilişte gestuurd, dat ook in district Vrancea is gelegen. Bloed stroomt trager dan de tijd. Daarom slijten gewoonten wat moeizamer. Veel geïnspireerder was een andere benaming gebleken, een paar straten verderop: Strada Revoluţiei, de Revolutiestraat. Na 1989 is die naam ongewijzigd gebleven. Iedereen kon daarbij denken aan de revolutie die hem het meest aansprak.

Wanneer het regende, ontstonden er bij ons in de straat stroompjes die in elkaar overliepen. Ik had het woord ‘bedding’ geleerd, waarmee deze werden aangeduid en waar, tijdens de hondsdagen, de aarde zo rul was als poeder. Die beddingen heetten goten. Notendoppen dienden als schepen op de snelle stromingen in de goot. We stoppen er modder in, die zo warm was als deeg, waar we kalkoenenveren in prikten bij wijze van mast.

Slechts heel af en toe kwamen er auto’s voorbij. Wel verschenen er karren met aluminium melkbussen. Om de hoek was een punt waar melk werd ingezameld en verwerkt. Ze gingen in de rij staan, ieder met zijn melkbussen. Wij klommen op de disselbomen en lieten ons zo, in elkaar gedoken, een stukje vervoeren. Af ten toe was er een voerman die er de smoor in had dat de opbrengst van zijn melk was tegengevallen en ons een zweepslag op onze rug verkocht. Dan sprongen we van de kar terwijl hij met schrille kreten zijn paarden aanspoorde.

In die tijd waren er geen flatgebouwen in de stad, en de huizen met een bovenverdieping waren op de vingers van één hand te tellen. Een bovenverdieping en een zolder hadden de joodse winkels aan Strada Mare, de Grote Straat, gehad. Tijdens de aardbeving van 1940 waren de bovenste etages ingestort, waardoor de winkels in elkaar waren gezakt en boven op elkaar terecht waren gekomen.

De mensen in onze wijk hadden het niet zo breed. Wij hadden ook niets om mee te pronken, al waren mijn ouders gestudeerde mensen, ingenieurs. Kranten waren een uitzondering, het nieuws kregen we van de bioscoopjournaals en van de radiodistributie, een geel, aan de wand bevestigd kastje dat krakende nieuwsberichten, volksmuziek en patriottische koren ten gehore bracht. Toen mevrouw Maria, de overbuurvrouw, een televisie had gekocht, was dat een groot gebeuren bij ons in de straat. Het toestel, van het merk Rubin, was, zoals de meeste dingen in die tijd, van Russische makelij. Het had een scherm zo groot als een etensbord. Op zwoele avonden zette mevrouw Maria hem in de tuin en dan kwam iedereen kijken met een stoel van thuis. Ik viel al gauw in slaap, opgerold in mijn stoel, maar ik voelde me trots als een volwassene. Wat ik wel van het begin tot het einde in wakkere staat heb gezien, want ze werden overdag uitgezonden, waren de begrafenissen. Die van Leontin Sălăjan, de minister van Defensie, vervolgens die van Gheorghe Gheorghiu-Dej.* Urenlang vergaapten de buurtbewoners zich, eerder nieuwsgierig dan bedroefd, aan de begrafenisstoet, en onderwijl dronken ze pruimenjenever en praatten over voetbal. Van zulke begrafenissen hadden we er te weinig, vond mijn grootvader Garabet en vond vooral zijn zwager, Sahag Şeitanian. Verder gebeurde er eigenlijk niet veel in onze buurt.

 

Inmiddels zijn de vuren verdwenen. Ze hebben zich knetterend teruggetrokken in de elektrische bedrading, ze hebben zich verstopt in de muren, ze hebben zich ingegraven in de aarde. Maar in mijn jonge jaren kwamen de vuren aan alle kanten tevoorschijn. De speelse vlam van een kaars of de rustige van een petroleumlamp. De rossige flakkering van gloeiende kolen in de kachel. Het vuur onder de stookketel waarin de jam pruttelde. Of het vuur onder de zwart uitgeslagen ketel waarin de teer kookte voor de kartonnen dakplaten of waarin de reuzel werd gesmolten voor de huishoudzeep. De verstikkende vlam van brandende bladeren in het voorjaar. De nachten waren toen langer en rijker, het licht fletser en de schaduwen levendiger. Veel spookverschijningen leken echt in het spel van de tegen de wanden geworpen schaduwen. Het vuur was een levend wezen, het zat naast ons aan tafel, het gleed met zijn schaduwen over onze schouders, het verlengde onze gezichten en verdiepte onze blikken. Veel verhalen die ontstonden op de beweeglijke wanden vertelden zichzelf verder nadat we ze hadden aangehoord. Daarom was mijn kindertijd vrijer en rijker. Zelfs voor de doden was het zo beter.

Andere deelgenoten van mijn kindertijd waren de geuren. Van alle zintuigen is de reukzin het meest beladen met herinneringen. Je hoeft maar een deur te openen waardoor een vertrouwde geur doordringt, en alle gebeurtenissen die verbonden zijn met dat gevoel dringen zich weer aan je geest op. Een heel leven zou beschreven kunnen worden op grond van zijn geuren. En ook mijn kinderjaren zouden zo verteld kunnen worden.

In de allereerste plaats de geur van warm deeg. Als ik mijn hele kindertijd in één soort materie zou moeten samenvatten, zou ik zeggen ‘deeg’. En wel het warme deeg in mijn grootmoeders beslagkom. Het groeide tussen de avond en de ochtend als een levend wezen. Het fascineerde me. En ik was zo verbonden met het leven dat erin oprees, dat ik voelde dat het pijn leed telkens wanneer het door handen werd gekneed. Ik was pas gerustgesteld wanneer ik zag hoe oma Arşaluis, Aurora op zijn Roemeens, en haar zuster Armenuhi het uitrolden en streelden, totdat het werd omgevormd tot dunne plakjes. De vrouwen spreidden op de bedden en op de tafels gladde lakens uit, waarop de dunne laagjes deeg voor de baklava werden neergelegd.

Tijdens die nachten sliepen we dicht opeen op de banken. Het bladerdeeg mocht door geen enkele beweging en geen enkel geluid gestoord worden. We slopen ertussendoor en spraken op een fluistertoon met elkaar. Af en toe werd grootmoeder wakker en dan smeerde zij ze in, bij het licht van de petroleumlamp, met olie vermengd met ei. ’s Ochtends werden ze, droog als plakjes klei en knisperend als opgeslagen hooi, op elkaar gelegd. Ertussen werden gestampte walnoten gestrooid en er werd warme siroop overheen gegoten. De randjes werden afgesneden, zodat de deegvellen de vorm zouden aannemen van de bakplaten die langzaam in de oven bruinden. ’s Zondags, bij het middageten, sneed opa Garabet de baklava met een lang mes en deelde hem, afgemeten, aan ieder uit.

Hetzelfde mes werd gebruikt bij het snijden van gedroogd rundvlees dat wij, met de Turkse benaming, pastırma noemden. Het vlees werd aan de dakrand van het huis opgehangen, zodat de wind het kon drogen en het licht het op smaak kon brengen. ‘Het lekkerste van alles,’ zei grootvader, ‘is de smaak van de wind. Je dient te weten hoe je deze in het eten moet laten doordringen.’ Het gedroogde vlees werd geweekt in een brij genaamd tsjemen, die helemaal vanuit Jerevan was opgestuurd. Grootvader nam het mes ter hand en sneed het eerste plakje af. We liepen de tuin in en bekeken het rossige stukje vlees. ‘De maan is niet te zien,’ zei ik. En opa: ‘Dat is niet goed.’ Hij wette het mes op een vochtige steen en sneed nog een plakje af. Het dunne vlees, waar de manestralen doorheen schenen, kreeg een gelige kleur. ‘Nu is hij wel te zien,’ zei ik. ‘Dan is het goed,’ meende grootvader. ‘Het licht en de wind zijn het smakelijkst, in combinatie met elkaar. Zo is het fruit goed rijp en kun je het vlees behoorlijk snijden.’

De geur van fruit vulde het hele huis. Vooral met oud en nieuw, wanneer de Armeniërs nog in de periode van de kerstvasten zitten en in grote pannen anuş-abur wordt gekookt. Wat in vertaling ‘zoete soep’ zou betekenen. Het is een soort kolyva,* alleen wordt er door het gekookte graan allerlei fruit gemengd: vijgen, dadels, rozijnen, walnoten, sinaasappels. En daarover wordt kaneelpoeder gestrooid.

Dan de geur van de schuilplaatsen. De verborgen plekjes, beschaduwde of zichtbare, maar die slechts zelden opengingen, en, nog verlokkelijker, de verboden plaatsen. Zonder schuilplaatsen om te verkennen is de kindertijd zinloos. Alleen wat verborgen is, is het werkelijk waard om gezien te worden. De geur van schuilplaatsen gaat gepaard met stilte, een stilte die ook haar eigen geuren heeft. Eerst de kasten met kleren waaronder, opgevouwen, de dekbedden en matrassen te vinden waren. In grootmoeders kast werden alleen zware kledingstukken bewaard, naar mottenballen ruikende overjassen, waarvan sommige nog van mijn overgrootmoeder Heghine Terzian waren geweest. Van de kleren van mijn overgrootvader had niets bewaard kunnen worden, alles was achtergebleven in een straat in Constantinopel, waar je de zon over de Bosporus kon zien ondergaan. Ze waren op een nacht gevlucht, met de kleren die ze aan hadden en een paar knapzakken waarin ze haastig wat spullen hadden vergaard die gemakkelijk te verkopen waren. Er deed een gerucht de ronde dat in de haven, bij Pera, een stoomboot had aangelegd die Armeense vluchtelingen aan boord nam. Toen hij op dek was geklommen, te midden van de verdwaasde en angstige meute, viel mijn overgrootvader op zijn knieën. Daarna stortte hij neer met zijn gezicht omlaag, hand in hand met zijn twee dochters. Ze draaiden hem om, sloten zijn ogen en bevrijdden zich uit de omklemming van zijn handen. Ze hebben de wake bij hem gehouden, met een kaasstompje dat ze wie weet waar op de kop hadden weten te tikken. Hij was niet de enige die te midden van de verwarring en angst toen de geest heeft gegeven. Voordat ze in Constanţa aankwamen, beval de kapitein dat alle doden overboord dienden te worden gezet. Zo is de Zwarte Zee het deinende graf van mijn overgrootvader Baghdasar Terzian geworden.

Verder was er de kast met boeken. Opa Garabet kende vrijwel alle alfabetten: het Latijnse, het Cyrillische, het Griekse en het Arabische. ‘Zodat je je niet vergist,’ zei hij. ‘Het alfabet is het begin, daarom heet het ook alfabet. Je kunt overal beginnen, mits je het beginpunt kunt ontwarren.’ Mijn grootvader heeft de beginpunten ontward, maar heeft de eindpunten in de war gemaakt. Toen hij op zijn sterfbed lag, werden wij, de kinderen, geroepen om afscheid van hem te nemen. We konden niet verstaan wat hij zei. Hij leek rustig en sprak wijs. Maar we konden hem niet verstaan. Later heeft mijn vader me uitgelegd dat grootvader de talen door elkaar haalde toen hij met ons sprak: Perzisch, Arabisch, Turks, Russisch en Armeens. Alle streken die hij in zijn kindertijd en jeugdjaren had leren kennen, waren in hem tot leven gekomen. Zodat wanneer je je haast om te vertrekken en zomaar dingen grijpt die voorhanden zijn, net zo had hij, toen hij sprak alvorens deze wereld te verlaten, willekeurige woorden gegrepen.

Zo was het ook met de boeken. Er waren boeken in het Turks, in het oude, oosterse schrift, tekenhandboeken in het Engels en oude uitgaven van de Larousse. Dikwijls zat grootvader te bladeren in een schitterend boek, in het Duits, over tapijten. ‘Onze tapijten,’ vertelde hij me, ‘zijn als de Bijbel. Je vindt er alles in, van de oorsprong tot het heden.’ We zochten allebei naar afbeeldingen van de wereld. ‘Dit is het oog van God,’ raadde ik, en opa Garabat stemde in. ‘En dat is een engel.’ ‘Dat is geen engel. Hij is al oud, dan moet het een aartsengel zijn. Misschien Rafaël, die is de oudste van allemaal.’ Ik had hem willen vertellen over de bejaarde engel in de tuin, die ’s zomers naar jodium rook en ’s winters zijn blote voeten met sneeuw waste. Ik begreep echter dat mensen die hun kindertijd niet zonder angst hadden kunnen beleven, niet de kans hadden gekregen om bejaarde engelen te ontmoeten. En grootvader kwam bij de bladzijde waar hij het trotst op was: het door hemzelf geweven tapijt, het kleed dat was uitgespreid in onze kamer, die van de kinderen, en dat nu in de kamer van mijn dochter Armine ligt. ‘Het is belangrijk,’ zei grootvader, ‘om een stevig dak boven je hoofd te hebben en een dik tapijt onder je voeten.’ Ons Perzische tapijt was compact, met de hand vervaardigd, met veel knopen. ‘Een tapijt moet zo dik zijn,’ legde grootvader uit, ‘dat wanneer je het oprolt, het evenveel weegt als een boomstam van dezelfde dikte.’ Ons tapijt heeft de geschiedenis doorstaan, en niet zomaar. In augustus 1944 kwam het Sovjetleger de stad Focşani binnen. Drie officieren werden bij ons thuis ingekwartierd. Ze hadden de hele nacht zitten drinken en waren ladderzat geworden. Mijn grootvader en zijn zwager, Sahag Şeitanian, de echtgenoot van tante Armenuhi, bleven wakker tot de dag aanbrak en hielden de wacht, zodat ze iedere keer dat een van de Russen een brandende peuk op het tapijt liet vallen konden opspringen. Tussen de stompen en de scheldkanonnades door waren Garabet en Sahag erin geslaagd om alle peuken te verzamelen. Er waren nauwelijks twee of drie schroeiplekjes overgebleven, die vandaag de dag nog te zien zijn. Grootvader had een regelrecht Kantiaanse visie op het leven: het dak boven je hoofd, het altaar voor je ogen en het zachte tapijt onder je voeten.

Het was een onmogelijke opgave om alle boeken in huis te lezen. Maar ik kon ze thuisbrengen aan hun geur. Opa Garabet had me geleerd om boeken zo te leren kennen. Een goed boek rook op een bepaalde manier. Strak gebonden in zijn leren banden rook het bijna menselijk. Ik betrap me er soms op dat ik in boekwinkels de boeken besnuffel. ‘Alsof ik blind ben,’ zei ik. ‘En wat dan nog,’ zei opa Garabet met een schouderophalen. ‘Van alles wat je bent, zijn je ogen het minst van jou. Het licht is als een vogel die zijn eieren in een vreemd nest legt.’

Ik heb boeken eerst begrepen door ze te betasten en eraan te ruiken. Ik was niet de enige. Tussen de bladeren trof ik soms een rossig insect aan. ‘Maak hem niet dood,’ hield grootvader me tegen. ‘Het is de boekenschorpioen. Iedere wereld moet zijn schepsels hebben. Het boek is ook een wereld. Alle schepsels zijn voorbestemd zich te voeden met de zonden en de fouten van de wereld, dat geldt ook voor deze schorpioen: hij verbetert de fouten in de boeken.’ Lange tijd heb ik hem niet geloofd. Nu ben ik echter de verteller, een soort klerk die oude fouten wil verbeteren. Ik ben dus een boekenschorpioen.

En dan is er nog een geur die mijn kindertijd heeft voortgestuwd, te midden van de aroma’s van de Oriënt: het boeket van koffie. Dit ambacht hadden mijn grootouders meegebracht van hun geboortegrond in Anatolië. Het zetten van koffie was voor hen iets natuurlijks, zoals een ambachtsman aan de smaak van klei kan bepalen of deze wel of niet goed is om mee te modelleren. Ze deden het met distinctie, vol minachting voor hen die koffie dronken zonder de zin ervan te doorgronden.

In de eerste plaats kochten mijn grootouders nooit gebrande of – God verhoede! – gemalen koffie. We hadden een koperen steelpan, zwart uitgeslagen van het vele branden. De deksel was voorzien van een speciaal mechanisme dat met een hendel in beweging werd gebracht en ervoor zorgde dat de bonen zo gelijkmatig mogelijk werden geroosterd. Deze operatie, op een laag vuur, nam ongeveer een uur in beslag. Het enige wat wij kinderen kregen waren geroosterde bonen. We sabbelden erop alsof het snoepjes waren en wanneer ze hun smaak kwijtraakten, kraakten we ze tussen onze tanden en kauwden erop.

Dan volgde het malen. Ook vandaag de dag kom ik, in snobistische verzamelingen, nog dergelijke cilindervormige koffiemolens tegen, met hun puntige deksel, verguld en versierd met arabesken, op een hoop gegooid met andere nutteloos geworden voorwerpen, zoals samowars of strijkijzers met kooltjes. In mijn kindertijd was de koffiemolen een lid van het gezin. Het malen nam geruime tijd in beslag. De ouderen verzamelde zich reeds in de tuin. Grootmoeder legde zachte kussens op de houten banken, met smeedijzeren armleuningen. Ze maalden om beurten, terwijl ze in gedachten tot honderd telden. Degene die aan het malen was, bemoeide zich niet met het gesprek om niet de tel kwijt te raken. Als hij niettemin iets te berde bracht, betekende dit dat het een serieuze aangelegenheid betrof. Het is alsof ik hen nog zie onder de abrikozenboom in de tuin: opa Garabet Vosganian, bedaard, terwijl hij zijn blik over de verzamelde mensen liet glijden, Sahag Şeitanian, zijn zwager, ongeduriger en meer heetgebakerd, Anton Merzian, de schoenlapper, die uitentreuren hetzelfde verhaal opdiste over hoe hij zijn vrouw Zaruhi had geschaakt bij haar ouders in Panciu. Voor de verteller was de tocht van twintig kilometer naar Focşani, die hij zo’n veertig jaar geleden te paard had afgelegd, iets wat de vlucht naar Egypte naar de kroon stak. Hij smukte het iedere keer op, aangezien Zaruhi, die zo doof was als een kwartel, hem toch niet kon tegenspreken. Dan was er Krikor Minasian, de andere schoenlapper aan Strada Mare, met wie Anton Merzian in een heftige concurrentiestrijd was gewikkeld. Verder Ohanes Krikorian en Arşag de rosse, de klokkenluider van de Armeense kerk, de vogelvanger. En om hen heen het vrouwvolk, naar eau de cologne ruikende dikkertjes met hun handen in hun schoot gevouwen. Arşaluis, mijn grootmoeder, haar zuster Armenuhi, en verder Paranţem, Zaruhi en Satenig.

Het malen was klaar na ongeveer vijftienhonderd omwentelingen. De molen werd warm. Totdat je hem niet meer vast kunt houden, zei grootvader. Totdat de koffie zo fijn is als zand, voegde hij eraan toe. Maar dat deed hij alleen wanneer Sahag Şeitanian er niet bij stond. Die hield niet van zand.

Soms kreeg ik ook de molen toegestopt om aan de hendel te draaien. Het messing werd verhit en door de kieren drong de koffiegeur naar buiten. Af en toe strooide grootvader een beetje in zijn handpalm en snoof, met de air van een rechercheur die een drugsvangst monstert. Dikwijls gaf grootvader opdracht tot nog een ronde en de oudjes legden zich erbij neer, want het welriekende poeder diende zo fijn mogelijk te worden.

Vervolgens werd de koffie gezet. Het koffiekannetje had de vorm van een afgeknotte kegel. ‘Zodat de stoom zich ophoopt en begint te fluiten,’ zei grootvader. ‘Hoe meer stoom er zich ophoopt, hoe meer smaak het brouwsel krijgt.’ Af en toe werd de inhoud geroerd. Daar bestonden ook vast regels voor: het kannetje stond op het vuur totdat de vloeistof aan de kook dreigde te raken. Dan werd de schuimlaag eraf geschept en in een van de kopjes gedaan. Vervolgens werd het kannetje teruggeplaatst op de vlam. En zo telkens opnieuw, totdat de koffie even vaak aan de kook was gebracht als dat er kopjes klaarstonden. Ik stond graag naast grootvader terwijl hij koffie zette. Hij was handig en wijs. Hij vertelde me dan de meest zonderlinge dingen. ‘Terwijl je koffie maakt,’ zei hij, ‘mag je alles zeggen wat in je hoofd opkomt. Alles wordt je vergeven. Wie samenkomt rondom de koffie, mag geen ruzie maken. Daarna moet je het zelf weten.’ Het was zijn moment van vrijheid. Dan had hij veel weg van mijn bejaarde engel.

Nu over de kopjes. Als veel andere vergeten gewoonten is ook die van het drinken van koffie teloorgegaan. Tegenwoordig wordt er uit allerlei soorten kopjes gedronken, vaak zelfs uit grote mokken, bestemd voor water. Er wordt oploskoffie gedronken, die geen drab achterlaat, laat staan een schuimlaagje. ‘Het schuimlaagje,’ legde grootvader uit, terwijl hij met het lepeltje roerde, ‘is het blazoen van de koffie.’ De in een kring geplaatste stoelen, klaar voor het geklets, zijn tegenwoordig niet langer zacht. De mensen drinken hun koffie in alle vroegte, als ze de slaap nog niet helemaal verjaagd hebben en niet praatgraag zijn. En voor velen is de koffie slechts een voorwendsel om een sigaretje op te steken.

De koffiekopjes waren klein, fraai gekleurd en hoorden bij het schoteltje. Het koffiekannetje werd op zijn Turks een gezve genoemd, en de kopjes fingean. Het hele instrumentarium droeg Turkse namen en zelfs de koffie werd soms in het Turks als khaife aangeduid. Omdat mijn grootouders dezelfde dingen vroeger bij hun voorouders hadden gezien aan de oever van de Bosporus of de Eufraat, vermengden de herinneringen en de woorden zich waarschijnlijk.

De ouderen van mijn kindertijd dronken hun koffie om zes uur ’s middags. De ceremonie van het bereiden geleide het gesprek al in een kalm spoor. Ze verschaften zich een beetje ruimte tussen de kussens. Ongehaast dronken ze hun koffie, luidruchtig slurpend en genoeglijk smakkend. Het was het ogenblik waarop, de zwerftochten, de met bloed bezoedelde herinneringen en het verstrijken van de tijd ten spijt, de wereld onveranderd en vredig leek, en de gemoederen gerust.

Grootvader pakte zijn viool en speelde totdat het koffiedik in de kopjes was opgedroogd en allerlei kronkelende paden vormde. Grootmoeder las geen koffiedik, want grootvader zei dat wat geschreven was, toch moest gebeuren. En kommer en kwel horen bij de wereld als gras of regen. En als je probeert de voorzegde narigheid te vermijden, gebeurt deze toch, alleen schuif je hem dan af op de schouders van een ander. En waarom zou je, naast alles wat je al te verdragen hebt, nog een extra zonde op je nemen?

 

[fragment 2, p. 110 t/m 125]

 

Wanneer van verre de klanken van Mantu’s tuba te horen waren, liepen de mensen te hoop in de tuinen. En wanneer de lage trillingen van de tuba vergezeld gingen van de klaagzang van de trompet en de bugels, stonden de mensen al aaneengerijd langs de stoep van Strada Tăbăcari om de stoet te zien.

Strada Tăbăcari, de Looiersstraat, verbond de ringweg met de Câmpineanca-barrière. Voorbij de barrière was het kerkhof. De enige weg waarover de begrafenisstoeten passeerden. De overledene werd thuis of uit de kerk opgehaald. De man, tot dan toe ziek en dikwijls genegeerd of in de kracht van zijn leven en door een onverwachte dood weggerukt, kwam plotseling in het middelpunt van de aandacht te staan. Er werd met belangstelling, soms met genegenheid over hem gesproken, hij werd gewassen, netjes aangekleed, van hier naar daar gedragen en overal begeleid, als een bruid.

In onze buurt woonden enkele vrouwen op leeftijd, meestal zelf ook weduwen, die hier verstand van hadden. Ze kwamen uit het niets tevoorschijn, soms zelfs al voordat de zieke de geest had gegeven. Die vrouwen brachten angst teweeg en de mensen hielden hen vanuit hun ooghoeken, vanachter de schuttingen, in de gaten. Ze hadden een onfeilbaar instinct, ze waren in staat om van tevoren de zoetige geur van de dood op te snuiven, ze lieten zich nergens door verrassen. Wij haalden adem in het ritme van de jaargetijden en konden zo de rauwe geur van de lentebloemen opsnuiven, de zware, droge aroma’s van de zomer, de stoom van de stookketels met jam, pruimenbrandewijn of bouillon in de herfst en vervolgens de metaalachtige geur van de sneeuw. Voor hen bezat de wereld echter maar één jaargetijde, met een mengeling van verstikkende geuren. Soms was er een gerucht: ‘Vandaag is madame Stavarache door onze straat, door de Ghioceilor, langsgekomen. Arme Temelie, de timmerman, dat betekent dat hij het niet lang meer maakt.’ En inderdaad, de oude man die onze houten zwaarden glad schuurde, zodat we struikrovertje konden spelen, en die zich ter gelegenheid van Heldendag mooi aankleedde, zijn medailles op zijn borst speldde en naar het standbeeld van de helden tegenover de rechtbank liep om daar een bloem te leggen, overleed korte tijd later. Een andere keer weeklaagden de buurvrouwen bij ons in de straat over Miţu, de bejaarde mevrouw Rădulescu. Want de weduwe Nistor liep om de oude kerk te drentelen, de kerk van de Heilige Dumitru, op de binnenplaats waarvan de familie Rădulescu woonde. De weduwe Nistor had gelijk, ze had de geur van dunner wordend bloed opgevangen. Miţu leefde echter nog een jaar of tien, en ze bleef haar Carpaţi-sigaretten roken en hoesten als een vent op de sofa onder de lindeboom. Degene die stierf was haar zoon, meneer Rădulescu, die ik dagelijks op weg naar zijn werk langs zag komen fietsen, zijn broekomslagen vastgezet met clips zodat ze niet vast zouden komen te zitten in de trappers.

De mensen kregen zelfs tranen in hun ogen wanneer de zieke lange tijd bedlegerig was geweest en erg had geleden of uitzonderlijk oud was. Wanneer het geen onverwacht sterfgeval was en het niet ging om iemand in de kracht van zijn leven, weeklaagden zij die de wake hielden eerder om zichzelf.

Voor Mitică, de gek, die in een hut van modder en stro woonde aan Strada Petru Maior, was iedereen bang. Hij had een gerimpelde kop, alsof klauwen er voren in hadden getrokken en de schrammen nooit helemaal waren genezen. Zijn ogen waren waterig, de iris was opgelost in het oogwit, hij was niet blind, maar zag met zijn hele oog tegelijk, zoals de standbeelden van de oude Grieken. Hij droeg steevast dezelfde kaki legerbroek, ’s winters trok hij het uniformjasje erbij aan. Die had hij nog uit de tijd van de oorlog, in die kleren was hij met groot verlof gegaan en waarschijnlijk, mits hij zich niet als een wolf zou verschuilen wanneer zijn tijd was gekomen, zou hij er ook in begraven worden. Zijn handen waren eeltig van het houthakken, want daar leefde hij van. De buren vonden het maar eng om hem zo te zien, met de hakbijl in zijn hand. Ze spraken een prijs met hem af en vervolgens hielden ze hun kinderen binnenshuis, met de deuren op de grendel. Ze zetten eten voor hem neer op een boomstronk, hij at wat hem werd voorgezet, vroeg niets extra’s, zelfs geen zout als de bonen te flauw waren, ook geen ui als ze te zoet waren, ook geen water als ze te zout van smaak waren. Wanneer hij dorst kreeg, dronk hij rechtstreeks uit de ton die onder de regenpijp was geplaatst om regenwater voor de was op te vangen. In de winter schepte hij wat sneeuw in zijn handpalm en nam er happen uit alsof het een appel was. Hij liep met een neerhangende rechterschouder, lachend vanonder de bochel op zijn rug, op de andere schouder, waarover hij zich verwonderde. Hij lachte altijd, vet en hees, vreugdeloos, alsof hij een brok in zijn keel wegslikte. Zo was hij sinds Stalingrad, vertelde Temelie. Er was een Russische tank over hem heen gereden: hij was weggerend en in een kuil in de sneeuw beland. Boven zijn hoofd had het geratel van de rupsbanden geklonken, maar die hadden hem alleen verpletterd met hun geluid en met zijn eigen doodsangst. Hij had zich lange tijd schuilgehouden, ze dachten dat hij dood was en hadden zijn spullen ingepakt met het voornemen die naar huis te sturen. Toenmaals heeft hij de gewoonte opgevat om sneeuw te eten, niet om hem op te likken, zoals wilde dieren, maar hem gewoonweg te verslinden door erop te kauwen en stukjes ijs tussen zijn tanden te vermalen alsof het dunne botjes waren. Ze gingen samen, op Heldendag, naar het standbeeld tegenover de rechtbank, Temelie met zorg gekleed, met een gestreken wit overhemd en een zwarte stropdas, zijn onderscheidingen aaneengerijd op zijn borst, en achter hem, huppelend en lachend, Mitică, gekleed in zijn morsige soldatenuitmonstering. De timmerman en de houthakker, de helden van Stalingrad. Temelie legde een bloem aan de voet van het standbeeld en bleef roerloos staan met neergeslagen ogen. Mitică las schreeuwend – en hij doorspekte zijn woorden met zijn gelach – voor de zoveelste keer de tekst op het plakkaat, waarin de mannen die op het slagveld waren gesneuveld werden geroemd. Maar hij liet het daar niet bij en las vervolgens ook de regels die de communisten intussen met specie hadden afgedekt en die hij, met zijn door Russische tanks vermorzelde ziel, uit zijn hoofd kende. ‘Tijdens de heilige oorlog,’ schaterde Mitică, ‘ten tijde van het glorieuze koningschap van koning Carol i, de grondlegger, en van koning Ferdinand, de vorst van de eenwording van het land.’ Toen de mannen van de militie hadden geprobeerd hem het zwijgen op te leggen, had hij zich uit alle macht verzet. Terwijl ze hem meesleurden over het plein, had hij een mengeling van geschreeuw en geschater uitgestoten, zodat ze er de voorkeur aan gaven hem maar de hele tekst tot het einde toe te laten voorlezen, zowel de zichtbare als de afgedekte letters. Vervolgens ging Mitică een borrel halen bij de bodega Tăbăcari en dook hij ergens weg achter een schutting, waar hij lange tijd zat te drinken zodat hij wat warmte in zijn borst kreeg, om te bewerkstelligen dat de sneeuw in zijn binnenste een beetje zou smelten. Hij kon nauwelijks nog op zijn benen staan en zijn schaterlach stokte in zijn keel. Hij posteerde zich voor de voorbijgangers, die hij met zijn wijsvinger in hun borst prikte. ‘Je gaat dood!’ brulde hij. Vervolgens tegen een ander: ‘Je gaat dood! Je gaat dood!’ Ik vertelde dit aan mijn grootvader. ‘Hij heeft gelijk,’ gaf deze mij ten antwoord. ‘Van ons allemaal is Mitică de gek degene die uiteindelijk gelijk heeft.’ Zo heb ik begrepen dat mensen de dood vrezen, juist omdat hij echt is.

Dan werden die vrouwen ineens nuttig. Ze wisten alles. Hoe de zwarte doek boven de voordeur moet worden opgehangen. Hoe de gordijnen moeten worden gesloten zodat het zonlicht niet op het gezicht van de dode zou vallen, om het niet te verpesten. Hoe de spiegels moeten worden afgedekt met een zwarte sluier en dat als iemand van de familie van de dode in de spiegel zou kijken, deze ook binnen zeven jaar door de dood zijn graf in zou worden gesleurd. Hoe je je handen of je gezicht niet moest wassen, dat je, wat de vrouwen aangaat, je haar niet moest kammen of, wat de mannen aangaat, geen scheermes over je wangen moest halen, zodat de dood geen kruimels op de grond zou achterlaten. Hoe het lichaam van de dode moest worden gewreven met in wijwater gedompelde doeken en met nardusolie onder de oksels, bij de slapen, op het voorhoofd en op de buik, om te ontdopen wat gedoopt was, zodat het graf zich echt helemaal zou sluiten en de ziel niet over de aarde zou dolen. Hoe er een muntje tussen zijn vingers moest worden gestopt, om daarmee de veerman te betalen, en hoe de handen op de icoon samengevouwen dienden te worden zodat hij kon getuigen van zijn vroomheid bij het Grote Oordeel. Hoe de benen bijeen moesten worden gebonden zodat het lichaam recht lag tijdens de dienst, en vervolgens moesten worden losgemaakt, zodat niets hem, smachtend, zou binden aan deze wereld en hij vrij zou zijn op de andere wereld. Hoe tijdens de wake de kaarsen moeten worden neergezet, hoe de wik moest worden afgeknipt, zodat er niet te veel licht zou zijn, maar ook niet te veel schaduw, zodat er niet te veel helderheid, maar ook niet te veel walm zou zijn. Hoe het graf moest worden gesloten, als beddengoed, hoe er kluiten op de kist moesten worden gegooid en er wijn over moest worden uitgegoten, hoe de kolyva werd uitgedeeld, hoe de bezittingen van de dode en schone handdoeken, met een muntje in de punt geknoopt, werden weggegeven, hoe er geweeklaagd moest worden en hoe men, zelfs in deze omstandigheden, elkaar toewenste: ‘Moge God jou zijn levensdagen schenken!’ Dat wil zeggen: de dagen waarvan de dode niet meer had mogen genieten.

Dit alles dient een doel. De ceremonieën, de tradities zijn bedoeld om de pijn te verzachten. Je wordt door je taken in beslag genomen, je let erop dat alles gaat zoals het moet, op wat anderen zeggen, je aandacht voor je eigen verdriet verslapt. Dan komen die weduwen die de dood ruiken van pas, want zij weten hoe het hoort. Voor een man, voor een vrouw, voor een onverwacht sterfgeval of een onvoorbereide dode, voor een ongehuwde jongeling en voor een ongetrouwd meisje. De ontzielde mens, die tot op dat moment een nietig, onopvallend leven heeft geleid, kent zijn moment van glorie. De weduwen zorgen ervoor dat voor sommigen hun begrafenis zelfs de allerbelangrijkste, ook al is het de laatste, gebeurtenis van hun leven is. Gedragen in een lijkwagen, voor hen met geld, of in een kar, met de doodskist netjes op een dik en levendig gekleurd tapijt geplaatst, gevolgd door een stoet mensen die, wanneer ze de samenscholing op de trottoirs zien, menen dat zij, in hun zwarte kleren, even belangrijk zijn als de dode, met daar achteraan de toevallige meelopers, de nieuwsgierigen, de bedelaars, de armoedzaaiers en de klaplopers, die geknoopte handdoeken ontvangen en kolyva op kartonnetjes waarop normaal gesproken worstjes worden geserveerd. Voorop, aan het hoofd van de stoet, ernstig en onheilspellend, de koperblazers van Mantu’s fanfare. De fraai glanzende instrumenten, oorverdovend en tegelijkertijd klaaglijk, verstomden ineens wanneer de stoet stilhield voor een kerk en de priester wierook verspreidde naar alle vier de windstreken.

Mantu was een klein opdondertje. Hij zeulde zijn tuba traag met zich mee en drukte zich ertegenaan als een slak tegen zijn huis. Onder het lopen draaide hij zich om en dirigeerde met zijn wenkbrauwen de trompetten, de bugels en de saxofoon. Zijn broer, de kleine Mantu, Budiştenau, Frunză, de gebroeders Câlţea en Fofoc. Gekleed in zwarte broek en wit overhemd in de zomer, en in de winter met gewatteerde jassen en over hun oren getrokken bontmutsen, terwijl ze een blauwige wolk achterlieten van hun ademhaling, die gezwollen was van de opbollende wangen en de in mondstukken gestoken lippen.

Begrafenissen vonden plaats rond het middaguur. Vanuit de verte was allereerst Mantu’s tuba te horen. Aanvankelijk als pressie in de oren, alsof de lucht plotseling zwaar werd en op het trommelvlies drukte. Vervolgens als een verre donder die ergens, voorbij de stroombedding van de Milcov, wegebde. De mensen keken uit het raam, door de rammelende ruiten. Op onbewolkte dagen wisten ze dat het Mantu’s tuba was. Als de lucht bedekt was, wachtten ze op het andere teken, namelijk het gejammer van de trombone en het geschreeuw van de trompetten.

Wanneer hij ons huis passeerde, drukte de door Mantu’s trechter voortgestuwde lucht op de slapen, op alle dunne en doorzichtige dingen. ’s Winters werd de rook in de schoorstenen erdoor aan het wervelen gebracht. Met Kerstmis kwamen de feestvierders met de grote trom voorbij. In het ritme van de trom dansten de feestvierders met berenkoppen of geitenkoppen door de straten. Ik weet niet hoe de kop eruitzag van het reusachtige schepsel dat in het ritme van Mantu’s tuba boven de stad danste. Maar al was het dan onzichtbaar, het bestond toch, want wanneer het langskwam, deed de rook vergeefse pogingen om op te stijgen. De rook verspreidde zich tastend over de tuinen en de huizen, op zoek naar een kier waardoorheen hij kon ontsnappen en opstijgen. De dood ketende de rook vast aan de aarde. Wanneer Mantu’s tuba zich verwijderde en ook de sporen van de boven de stad dartelende dood waren verdwenen, begon de rook weer op te stijgen naar de hemel. Dan kreeg de lucht de helderheid die altijd op de dood volgt.

Ik zag hem ’s middags bij ons aan de poort. Hij wiste zijn voorhoofd af met de handdoek die hij bij de begrafenis had gekregen, die hij vervolgens in zijn zak propte. De geknoopte punt liet hij naar buiten hangen. Hij zette zijn tuba tegen de muur – die stakker is ook moe, zei hij – daarna ging hij zitten, ineengekrompen en paars aangelopen van al dat blazen. Hij stak een sigaret op, inhaleerde diep, om opnieuw vertrouwd te raken met de rook die hij had opgesloten. Hij nipte aan zijn glas wijn, likte met zijn blauw uitgeslagen tong over zijn lippen en keek naar opa, met een benepen ongeduld.

‘De trombone,’ zei opa Garabet.

Of, een andere keer: ‘De trompetten…’

‘Wat is er met de trompetten?’ vroeg Mantu met schorre en matte stem, als de lucht die, tijdens zijn slaap, door de trechter van de tuba stroomde.

‘Bij de mars van Chopin hebben ze te vroeg ingezet. Ze hadden de bugels nog een kwartnoot hun gang moeten laten gaan.’

‘Nietes, ze waren precies op tijd. Ik heb ze een teken gegeven.’

Grootvader schonk hem nog een glas in vervolgens liep hij het huis in. Mantu wist dat nu het moeilijkste moment ging komen. Hij maakte zich nog kleiner op de stoel, als een kat. Hij wist wat er stond te gebeuren en als het had gekund, zou hij zich uit de voeten hebben gemaakt. Maar dat kon niet. Hij en zijn tuba waren onafscheidelijk en hij kon onmogelijk rennen met het instrument op zijn rug. Hij was tuba begonnen te spelen op zijn veertiende, toen de oude Mantu vond dat, aangezien zijn borstkas al twee handbreedten wijd was, zijn longen genoeg ontwikkeld waren voor het blazen. Wanneer hij niet speelde, hield hij de tuba binnen handbereik en poetste hij hem met zijn mouw, totdat hij blonk als een spiegel. Ze liepen altijd samen op, de man en de tuba, met trage passen en gebogen schouders. In feite had Mantu, sinds de dag dat zijn ouweheer hem met zijn handpalm had gemeten en had besloten dat hij in staat was op het instrument te blazen, nooit meer gerend.

Ditmaal had hij echter zin om op de vlucht te slaan, maar hij had al te veel tijd voorbij laten gaan en hij wist niet zo goed hoe hij het moest klaarspelen zonder te struikelen. Want het onvermijdelijke werd bewaarheid: grootvader keerde terug met de partituur en opende die op tafel. Vervolgens wees hij het aan.

‘Hier!’ stelde hij vast.

Mantu boog zich over het vel heen en keek naar de plaats die de vinger aanwees. Het enige wat hij zag waren kriebelige en priegelige zwarte tekens.

‘Dan zal het wel zo zijn,’ fluisterde hij. ‘Als u het zegt…’

Een andere keer was er iets mis met de trombone. Of met de bugels. Grootvader spreidde de partituren uit alsof het vellen bladerdeeg waren. Hij liet zijn vinger erover glijden. De Symphonie fantastique van Hector Berlioz. Het Requiem van Fauré. De Messiah van Händel. Mantu kneep zijn ogen tot spleetjes samen boven de met torren bezaaide bladen.

‘Welke is de tuba?’ wilde hij weten.

‘De onderste,’ antwoordde grootvader, en hij wees op de ruimte met de minste torren die voor je ogen krioelden. ‘Zie je wel, hier en daar een cirkel zonder staart of, nu eens lager, dan weer hoger, een pijlpunt.’

‘Krijg nou wat!’ riep hij verwonderd uit. ‘Ben ik dat?’

En met een blik op zijn glanzende tuba: ‘Hij lijkt niks te wegen! Terwijl je in werkelijkheid je ziel moet uitwringen om die in de trechter te proppen, zodat er geluid uit komt…’

Maar grootvader was nog altijd niet te spreken over de trompetten. Mantu liet hen allemaal opdraven, de gebroeders Câlţea, de trompettisten, vervolgens de kleine Mantu, Budişteanu, Frunză en Fofoc. Ze gingen op krukjes zitten in de tuin, waar ieder van hen, met paarse lippen en van binnen roze en van boven eveneens paarse vingers, aan zijn lepel met sorbet zat te trekken. Grootvader liet de ebonieten plaat ronddraaien, veegde er lichtjes over met de mouw van zijn jasje en legde hem vervolgens op het apparaat. Hij tilde de arm van de pick-up op, hief een waarschuwend vingertje om stilte te vragen en zette de naald behoedzaam op de juiste plek neer. De zigeuners keken reikhalzend toe. Boven het dixielandritme uit doorkliefde de trompet van Louis Armstrong in een plotselinge opwelling de lucht. Grootvader knikte met zijn hoofd en bewoog zijn hand in het ritme van de muziek. Ze luisterden geboeid. Toen het voorbij was, brachten ze gegeneerd hun hoofd weer terug op zijn plaats.

‘Hebben jullie die hoge tonen gehoord?’ vroeg opa Garabet.

Natuurlijk hadden ze die gehoord. Meedogenloos vervolgde grootvader: ‘Hoe hoog het geluid ook is, het klinkt vol en open. Waarom kan dat bij hem wel en bij jullie niet?’

‘Als die lui goed te eten krijgen…’ waagde de oudste Câlţea.

‘Krijg jij dan niet goed te eten? Moet je zien wat een pens je hebt…’

‘Dat is van de narigheid…’ jammerde de zigeuner. ‘En van de zonder kauwen doorgeslikte klonten. Daar groeit mijn buik van… Van het brood en van de narigheid. Maar hier, zoals ik het zie, is het een kwestie van longen, niet van buik.’

‘Ik geloof eerder dat het een kwestie van verstand is,’ wierp grootvader tegen.

‘Des te erger,’ hield de zigeuner voet bij stuk. ‘Van brood word je dom.’

‘Eet dan maïsgries,’ diende Budişteanu hem van repliek.

‘Maar maïsgries vult niet…’ sputterde Câlţea tegen, toen hij zag dat niemand zijn kant koos.

Een andere keer zie ik hen op het braaklandje aan Strada Patriei, de Vaderlandstraat, in de zigeunerwijk. Gezeten in een kringetje, met zakdoeken om hun zweterige nekken, met ingevallen of opbollende buiken, afhankelijk van ieders welvaren. Alleen Mantu is blijven staan, hij ondersteunt zijn tuba en leunt daar tegelijkertijd op en trekt aan zijn sigaret. Tegenover hen zit grootvader aan tafel en geeft uitleg. En uitgespreid op tafel – waardoor het groezelige en zoute zweet de muzikanten nog meer uitbreekt – de partituren.

‘De Negende symfonie van Beethoven,’ verkondigt grootvader. ‘Het derde deel. Andante.’

‘En weer van die zwarte dingen?’ vroeg Câlţea angstig.

‘Hou je mond, stomkop,’ siste achter hem Budişteanu, die een beetje muziek had gestudeerd aan de Volksschool voor de Kunsten en de enige was enigszins wijs kon worden uit die noten kon maken, mits hij ze één voor één spelde, zoals hij de krant las.

‘Als het niet van die zwarte dingen zijn,’ probeerde Câlţea het recht te zetten, ‘dan gaat het misschien wel…’

‘De tuba gaat tegelijkertijd de contrabassen en de grote trom spelen. De trombone – de cello’s en de hoorns. De bugel – de blazerspartij. En de trompetten spelen de melodie van de violen.’

‘Hoezo dat?’ riepen de gebroeders Câlţea verontwaardigd uit. ‘Violen zijn voor muzikanten. Wij zijn geen muzikanten…’

‘Wat zijn wij dan wel?’ vroeg Fofoc.

‘Muzikanten lopen bruiloften af,’ legde Budişteanu uit. ‘Wij spelen op begrafenissen. Daarom mogen wij ons musici noemen.’

‘Hou je mond effe, musicus!’ blafte Mantu hem toe, terwijl hij nog een sigaretje opstak.

En tegen grootvader: ‘Vertel het maar, baas!’

Mantu sprak niet veel. Omdat hij altijd met gezwollen kaken op zijn tuba aan het blazen was, konden zijn lippen de woorden maar moeilijk vormen, alsof ze er iedere keer weer aan moesten wennen. Hij had niet genoeg adem om een lange zin van begin tot eind uit te spreken. Dan bleef hij bijna in een hoestbui en liep hij paars of eerder helemaal zwart aan.

‘Als jij niet stopt met roken,’ adviseerde grootvader hem, ‘zul je een dag net zo uitdoven als de sigaret die je weggooit. Tenzij je gewoon al je kracht verliest en sterft met een sigaret aan je lippen geplakt.’

Mantu haalde zijn schouders op. Zijn ademhaling ging fluitend, alsof hij in een mondstuk blies. Hij was het niet gewend om zomaar voor niets te ademen.

‘Het is zo mooi geweest,’ zei hij. ‘Ik heb genoeg geblazen voor drie levens.’

Mantu sprak onverschillig over de dood. Dertig jaar had hij die in alle mogelijke verschijningsvormen gezien, op alle leeftijden en gekleed in verschillende weeklachten en gebruiken. ‘Tijdens de oorlog,’ herinnerde hij zich, ‘leek het wat rustiger te zijn. De dood sloeg ver weg toe.’ Verder was hij niet bang. Op iemand als hij, voor wie het leven en het uit alle macht, vanuit het diepst van je ingewanden, in een instrument blazen één en hetzelfde ding waren en ademhalen een regelrechte verplichting was, kwam de dood veeleer als iets aanlokkelijks over.

‘Ik blaas genoeg,’ concludeerde hij. ‘Laat me dan af en toe ook eens een beetje zuigen.’

‘Aldus!’

Grootvader gaf met zijn linkerhand de maat aan en sloeg de bladzijden om, onderwijl langzaam neuriënd. Daarna volgden om beurten de trompetten, de bugels en de trombone de melodie om hem van buiten te leren. Af en toe zei grootvader vreemde dingen: mol, kruis, tremolo… De blazers begrepen niet met hun verstand wat ze niet begrepen met hun oren. En dus wees grootvader met zijn duim omhoog terwijl hij ‘mol’ zei, en stak hij deze omlaag wanneer hij ‘kruis’ zei, alsof hij iemand wenkte om zijn glas nogmaals bij te vullen, en de tremolo was een licht gefladder met de vingers. Wanneer zijn stem er niet meer bij kon, pakte hij zijn viool en ging verder waar zijn stembanden hem in de steek lieten. Daarna liet hij hen zingen, als een zevenstemmig koor. Eigenlijk zes, want Mantu blies op gezette tijden zijn wangen bol, wanneer grootvader hem daartoe aanspoorde met zijn tot een vuist gebalde vingers, daarna pufte hij: boem-boem, waarbij hij op de grond stampte ter ondersteuning. Hun koor was eerder een gemompel. ‘Je moet het eerst met je stem beheersen,’ zei grootvader, ‘en dan pas met je vingers… Je moet het van binnen zingen, zodat het van buiten goed te horen is.’ En dan: ‘De trompetten luider!’ En tii-tiii-taaaa, miauwden de gebroeders Câltea. Ba-da-bam, trappelde Budişteanu in een poging de trombone na te bootsen. En eronder, boem, boem, Mantu’s tuba.

‘Laat eens horen wat je te doen staat!’ verlangde grootvader van hem.

‘Als u dood bent, baas…’ stamelde Mantu.

Steevast begon de zigeuner, tegen zijn normale doen in, te snotteren, alsof hij op het punt stond in huilen uit te barsten.

‘Genoeg met die onzin,’ kapte grootvader hem af. ‘Wees een vent, schaam je je niet voor die tuba die je met je meezeult? Vertel op!’

‘Hete oven, baas.’

‘Precies!’ bevestigde grootvader.

Hij liet hem eindeloos ‘Hete oven’ herhalen, omdat dit de enige manier bleek te zijn om hem die naam te laten onthouden.

‘Beethoven dus! En verder?’

‘Andante… Zachtjes dus…’

‘Rustig, muzikant. De ene keer zachtjes, de andere keer hard. Maar rustig…’

‘Ja, baas!’

‘En zonder fouten…’

‘Op het licht van mijn ogen…’

‘Anders sta ik op uit de dood.’

‘Sta maar op, baas!’

‘Deze jongen is mijn getuige,’ zei grootvader. ‘Kom eens hier,’ wenkte hij mij.

Ik stopte met spelen met de kastanjes en kwam dichterbij.

‘Kijk in mijn ogen en zeg me na, zodat hij je ook hoort.’

‘Hete oven… De negende… rustig… zonder fouten…’

Het was Mantu te veel geworden. Hij kreeg het benauwd van al dat gepraat. En om zijn hoestbui te smoren, zette hij de tuba aan zijn lippen. Het gehoest veranderde in het hakkelende gezang van het instrument. Grootvader liet zich voor de mal houden en verwijderde zich, met mij aan de hand en met in zijn kielzog de klanken van de tuba, die vergeefs trachtten de gaten in Mantu’s week geworden longen te overstemmen.

Strada Patriei was de zigeunerwijk. Hij kwam uit op Strada Tăbăcarilor bij de barrière, de kant van het dorp Câmpineanca uit, daar waar zich het winkeltje van Angheluţă bevond, met aan de andere kant van de barrière de begraafplaats met nog iets verderop, naast de zoom van het bos, het Armeense kerkhof. Een lange rechte straat, onverhard en omgeploegd door de zware karren van de koperslagers die oud ijzer inzamelden. Met scheve, omgevallen of wankele en in de haast gestutte schuttingen, of helemaal zonder – ‘schuttingen zijn niet nodig, want een zigeuner steelt niet van zijn buurman,’ zei Mantu trots – met lemen huizen die schuine ramen hadden, zodat de warmte in de zomer niet zou binnendringen en in de winter niet zou ontsnappen. Het waren armzalige stulpjes, bij sommige zaten er geen ruiten in de ramen, andere hadden dekens in plaats van deuren, zonder schoorstenen, met kachelpijpen die door het raam naar buiten staken, zodat de lucht werd verzuurd, die toch al scherp was van allerlei geuren die opstegen uit de rommelige moestuinen achter de huizen. Degenen die een kar bezaten, hadden ook een schuur gebouwd, tegen het huis aan, voor de dieren. Zodat ’s winters de dieren de muur van het huis verwarmden met hun adem op de plaats waar, aan de andere kant van de lemen muur, de mensen hutjemutje bij elkaar zaten. ‘Zoals we niet naar de Boeg* hebben willen gaan, zo wilden we ook niet naar de stad gaan,’ verklaarde Mantu de ordening van de zigeunerwijk aan Strada Patriei. ‘Maar de stad heeft ons opgeslokt…!’ Afgezien daarvan was het gezelligheid troef. De vrouwen praatten aan één stuk en riepen naar elkaar van de ene naar de andere kant van de straat, ontelbare snotneuzen speelden tussen de ganzen in de modder, loslopende honden lagen te soezen en zochten met name hun toevlucht naast de bouwvallige muren van mensen die de armoede vrijgevig had gemaakt. ’s Zomers droogde de modder op en barstte, de wielen van de karren knarsten en kinderen deden hardloopwedstrijden en renden achter fietswielen met kapotte banden aan. In de herfst verdiepte de modder zich en kroop tegelijk, als klimop, tegen de huizen en de schuttingen op. Het was net zo in het voorjaar, wanneer de dooi hem kneedde. ’s Winters was het echter mooi, net als overal, wanneer het sneeuwde zelfs nog mooier, want omdat er minder gestookt werd dan in andere huizen, bleef de sneeuw langer liggen. Wanneer de sleebaan op Strada Patriei begon te smelten, wist je zeker dat er in de hele stad geen sleebaan meer te vinden was.

De muzikanten waren de boodschappers van de dood, maar tegelijk namen ze die met zich mee wanneer ze zich verwijderden, als een geketende beer, en de lucht vulde de leegte dadelijk weer op. De hemel daalde tot op grasspriethoogte en de rook steeg op tot de hemel.

Grootvader was een hartstochtelijk liefhebber van boeken. En daarom is het juist toen gebeurd. Aldus:

de dag waarop de boeken werden verbrand. De lijst met verboden boeken was bezorgd door de postbode. De aanhanger heeft drie dagen op de straathoek gestaan. De mensen sjouwden er zakken vol met boeken heen. Ze wisten niet of het wel of niet een goed idee was om te laten zien dat ze verboden boeken in bezit hadden gehad. Boeken brengen mensen op verkeerde gedachten en doen volksvijanden ontstaan. De lijst met boeken was zo lang, er stonden zelfs teksten uit de schoolboeken op, dat het onmogelijk was dat iemand niet minstens één verboden boek in huis had. De mensen propten gegeneerd de boeken in zakken en haalden opgelucht adem wanneer ze die hadden afgegeven aan de man in de overall, op de treeplank van de aanhanger aan het uiteinde van de straat. ‘Het is beter zo. In plaats van dat zij komen zoeken, kunnen we ze liever zelf brengen.’ ‘Al goed, maar wij hebben geen enkel boek van die lijst. Of misschien één of twee… Waar vullen we de zak dan mee?’ ‘Wat maakt dat uit?’ zei het gezinshoofd met een schouderophalen. ‘We gooien er gewoon iets in wat we in huis hebben… Uiteindelijk gaan ze die allemaal verbieden, dan kunnen we ze beter in één keer kwijt zijn. Wat heb je vandaag de dag nog aan de boeken van gisteren? Al die herinneringen brengen alleen maar narigheid.’

Niemand was de boeken komen onderzoeken, ze waren niet meer uit de met waslijn dichtgebonden zakken gehaald. Dat maakte het lossen eenvoudiger. Om plaats te maken op het plein, voor het Pastia-theater, waar op wonderbaarlijke wijze de buste van Mitiţă Filipescu was blijven staan, schoven graafmachines de neergegooide zakken aan de kant. Er waren zoveel boeken ingezameld dat het hele plein vol lag: losse bladzijden zweefden langs als witte vogels, dartelend in de bries. Ze werden omgewoeld door voetstappen, de boeken probeerden te ontkomen, ze voelden dat er iets niet in de haak was, tot dan toe hadden de mensen hen niet zo behandeld. Met laarzen werden ze teruggeschopt tot naast de andere. Ze vlogen door de lucht, met uitwaaierende pagina’s, en doken dan ineen in afwachting van het moment dat er in plaats van de schacht van een laars een hand zou komen om in ze te bladeren. Schuivende graafmachines, opengescheurde zakken waar een mengelmoes van vellen en omslagen uit stroomde, met de geur van een oude secretaire, van niet opengevouwen doeken. Vervolgens de doordringende stank en de glinstering van de erover uitgegoten benzine. En het vuur. Ik was in die tijd nog niet geboren, mijn vader was een jongeling van nauwelijks twintig, slank en met een snorretje, hij keek toe zonder zelfs maar te kunnen huilen, want de gloed van het vuur schroeide zijn wangen en droogde zijn tranen.

De vlammenzee woedde de hele nacht. De bewakers van het vuur, die wel reuzen leken doordat ze werden gerekt door het licht van de vlammen, wierpen enorme schaduwen over de mensen die stilzwijgend toekeken, over de huizen en de ramen, over de stad. In de vroege ochtend steeg er rook vermengd met vonken op uit de smeulende puinhopen. Boven de stilte van de stad uit, vanaf het braaklandje aan de straat die pas later een naam zou krijgen, klonk de muziek van Mantu’s blazers op. De fanfare had de hele dag gespeeld, tot aan de avond, met in hun midden mijn grootvader Garabet, die in de partituren bladerde. Aldus stegen de rookwolken niet op, maar bleven ze dik en grauw hangen, als een oude boekomslag. Pas toen hen het bericht bereikte dat er gewapende soldaten naar hen op zoek waren, verspreidden de zigeuners zich naar hun armzalige huisjes. Eenmaal ontketend stegen de rookwolken op en verwaaiden. De mensen keken verbouwereerd naar de dikke rook, die als een straf aan de hemel hing. Pas na het vallen van de nacht klaarde de hemel op en werden de sterren zichtbaar. Op de dag dat de boeken werden verbrand, ging de ene nacht in de andere over zonder zonsopkomst en zonsondergang, alleen via een verstikkende schemering. Dat was de kracht van Mantu’s tuba en van de andere muzikanten, een kracht waar zijzelf bang voor waren, zonder hem te kunnen begrijpen.

Net als voor de onvermurwbare blikken van grootvader Garabet, druk in de weer met zijn partituren. Ze transpireerden onder het spelen. De stoet trok over Strada Tăbăcarilor tot aan de begraafplaats, toen klopte Mantu aan bij onze poort om een glas wijn en erbarmen. Dat grootvader hem niet toonde. ‘De saxofoon,’ sprak hij streng. ‘Wat is er met de saxofoon?’ vroeg de muzikant met doffe stem. ‘Hij heeft een halve toon te hoog gespeeld…’ ‘Budişteanu is verkouden…’ probeerde Mantu. ‘Zijn oren zitten verstopt.’ ‘Foutloos, heb ik je gezegd!’ eiste grootvader, en de zigeuner slikte iets weg.

Uiteindelijk is het inderdaad foutloos gegaan. Alleen was degene die de uit weinig mensen bestaande stoet aanvoerde mijn grootvader Garabet geweest en de muziek had niet langs Strada Tăbăcarilor geklonken, maar was begonnen aan Strada Patriei. Mantu heeft geen ziekbed gekend. Hij ging op zijn zij liggen en blies hoestend zijn laatste adem uit. Om zijn droge hoest te verhullen, had hij, met zijn laatste krachten, de tuba naar zijn mond gebracht, zodat ze allebei tegen de muur konden leunen. Uit de trechter kwamen hortende klanken, in het ritme waarin zijn zieke longen er de brui aan gaven. Toen het geluid niet meer haperde, maar ononderbroken en gelijkmatig werd, als een apparaat dat aan het hoofdeind van een zieke aangeeft dat zijn hart is gestopt met kloppen, begrepen de anderen dat het voorbij was. Het geluid bleef doorklinken. Fofoc bukte en haalde het mondstuk van zijn lippen, zodat Mantu’s ademhaling rust kon vinden. Toen kon de hemel neerdalen, als een vogel die, na almaar rondjes te hebben gedraaid in de lucht, ten slotte op de aarde neerstrijkt. En de rookwolken konden opnieuw opstijgen, zoals het gras dat weer tot zichzelf komt als de paarden eenmaal voorbij zijn.

 

 [fragment 3, p. 168 t/m 181]

 

In onze doos met foto’s heb ik er net zo een gevonden, van kleiner formaat. Zo werd me duidelijk dat de foto op het kerkhof een uitvergroting was die mijn opa had gemaakt van de kleine foto, met beter te onderscheiden gelaatstrekken. Op de achterkant stond een nauwelijks te ontcijferen handtekening: ‘Onik Tokatlian.’ Met eronder: ‘Onderweg naar Odessa, 10 april 1944.’

Om echter het verhaal te kunnen vertellen van de man wiens foto op de Armeense begraafplaats stond, op een plankje waarboven, dankzij de goede zorgen van Arşag of van wie er anders toevallig langskwam, de nooit slapende olielamp brandde, dien ik er het verhaal van een andere man aan toe te voegen, een man die u niet zult terugvinden in de dozen met foto’s van de oude Armeniërs uit mijn jonge jaren: Mesia Khacerian.

Ook later is het me niet gelukt een foto van Mesia Khacerian uit de jaren veertig op de kop te tikken, hoewel ik verwoed heb gezocht, want hij mag niet ontbreken in Het boek der fluisteringen. Want het is aan hem en aan anderen zoals hij te danken dat dit boek is beleefd alvorens het is geschreven en, vooral, op een fluistertoon is gelezen.

Een mooiere naam dan deze is een zeldzaamheid. Mesia betekent in het Armeens wat het, voor iedereen die genegen is het te begrijpen, in het Roemeens of in enige andere christelijke taal betekent. Khaci betekent in het Armeens kruis. Wij behoren Mesia Khacerian derhalve Messias van het Kruis te noemen. Een tragische ironie, aangezien Mesia zich in werkelijkheid reeds vanaf in jeugd aan de kant van de Antichrist had geschaard.

Onlangs heb ik een foto van hem gevonden. Daarop is hij op de hoek van een tafel gezeten, naast de bariton David Ohanesian en de graficus Cik Damadian, en hij werpt steelse blikken op Martiros, de grote schilder die een bezoek bracht aan Roemenië. Aandachtig en sluw, met samengeknepen lippen. Reeds op leeftijd, zeg je bij zichzelf, want zijn haar is volkomen wit.

‘En wat dan nog,’ zou mijn grootvader Garabet met een minachtend schouderophalen hebben gezegd, en hij sprak zijn naam met tegenzin uit. Je kunt uit de witheid van zijn haar niet opmaken, zouden ook anderen die hem uit de weg gingen hebben gezegd, of hij jong of oud is. Zo is Mesia’s haar zolang we hem kennen, het is wit geworden in de gevangenis, waar hij op zijn dood wachtte. Die heeft hem vergeefs laten wachten, maar omdat de dood een zwak voor hem had, heeft hij zich wraakzuchtig betoond ten aanzien van anderen.

Dit verhaal, over wat het verband is tussen Onik Tokatlian en Mesia Khacerian, waarom voor de eerste een olielamp wordt gebrand boven zijn foto, ter nagedachtenis, terwijl van de ander alle sporen zijn verdwenen uit de schoenendozen met foto’s van de oude Armeniërs, is een van de verhalen zonder welke Het boek der fluisteringen niet kan worden begrepen. Het stille gebed van de mannen op de Armeense begraafplaats in Focşani, de brieven naar Argentinië, met hun laconieke conclusie, de spiedende blikken van Arşag wanneer hij tevoorschijn kwam uit de crypte van Seferian, waarbij hij, als aan een klokkentouw, een streep licht met zich meetrok, kunnen niet worden begrepen zonder de trotse verschijning van Onik Tokatlian, gezagvoerder op de grote vaart, beladen met decoraties en tressen, en zonder het witte haar van Mesia Khacerian.

Ieder van hen heeft, op zijn eigen manier, de dood gekozen, en de dood heeft tussen hen gekozen, uit liefde, op zijn eigen manier, voor allebei.

Ze hebben elkaar één enkele keer ontmoet, op de bestrate laan die omhoogliep van het kantoor van de havenmeester in Constanţa naar Piaţa Ovidiu. Ook al hadden ze elkaar nooit eerder gezien, ze herkende elkaar onmidellijk. Mesia Khacerian omdat hij Onik Tokatlian zo lang had bespied en gehaat. En Onik Tokatlian omdat hij Mesia Khacerian zo lange tijd was ontlopen. Ze kwamen naar elkaar toe, Onik met die stramme tred van hem, Mesia trekkend met zijn verlamde been. Ze wisselden slechts enkele woorden, vervolgens liepen ze van elkaar weg, zonder omkijken. Ik zal die op een fluistertoon uitgesproken woorden optekenen, want ze hebben hun bestaansreden in Het boek der fluisteringen.

Onik Tokatlian was geboren in Brăila. Zijn ouders waren na de slachtpartijen van 1895, in de tijd van sultan Abdul Hamid, naar Roemenië gekomen. Hij ontving een voortreffelijke maar strenge scholing. Hij voltooide het Duits Lyceum en de School voor koopvaardijofficieren. De Armeniërs zijn een volk van het vasteland. Sinds mensenheugenis hebben zij de volken van de zee met wantrouwen bezien en hebben zij zich ervoor gehoed om de confrontatie met de zee aan te gaan, behalve om twee oevers met elkaar te verbinden. Met uitzondering van een korte periode gedurende de Middeleeuwen, in de tijd van het koninkrijk van Cilicië, toen ze houten schepen bouwden waarmee ze de Middellandse Zee bevoeren, hebben de Armeniërs de zee veeleer beschouwd als een weg van de wanhoop, als een laatste redmiddel.

Onik Tokatlian was een man van de zee. Hij bevoer de Middellandse Zee, in het spoor van zijn Cilicische voorouders, hij vervoerde en verscheepte goederen van Constanţa naar Constantinopel, Piraeus, Trieste of Marseille. Maar op het moment dat de zee opnieuw de laatste uitweg werd, liet Tokatlian de handelsreizen voor wat ze waren en nam een schip onder zijn hoede dat militaire transporten voor het oostfront verzorgde. Als kapitein van het schip Ardealul nam hij deel aan de operatie genaamd ‘60.000’, dat wil zeggen: de evacuatie van de Roemeense militairen die op de Krim omsingeld waren. Hij ontving daarvoor talloze Roemeense onderscheidingen, maar ook het IJzeren Kruis, als blijk van de erkentelijkheid van Duitsland.

Mesia Khacerian had daarentegen nauwelijks enige opleiding genoten. Hij was het kind van een stel armlastige Armeniërs die het zich niet konden permitteren om hem meer dan twee of drie klassen te laten volgen, op de Roemeense en Armeense lagere scholen in Constanţa. Daarna werd hij leerjongen in de werkplaats van een schoenlapper en dat is Mesia gebleven, als we alle functies waarmee de geschiedenis hem heeft getooid niet in aanmerking nemen: schoenlapper. Terwijl in Constanţa, die levendige en kleurrijke stad, het gemengde volk van de haven, al deze kooplieden, officieren, advocaten, boekhouders die grote met rood en blauw beschreven registers bijhielden, al deze leerkrachten van het Mircea cel Bătrân-lyceum en al deze intellectuelen van de kroegen de spot dreven, al die lieden met hun redingotes en uniformen, met hun van de banknoten uitpuilende of van de gouden munten rinkelende broekzakken, met de rook van hun bolknakken en met het weidse gebaar waarmee ze hun hoed lichtten tijdens de avondwandeling langs de boulevard bij wijze van begroeting van andere bezitters van redingotes en uitpuilende broekzakken, welnu, zonder uitzondering dreven die allemaal voortdurend de spot met de pipse schoenlapper, die met zijn knapzak vol pas verzoold schoeisel zijn klanten afliep, welke zich niet eens verwaardigden hun blikken naar hem op te richten en hem te bedanken.

Mesia kon zich geen betere wereld indenken. Wel een wraakzuchtige wereld. Daarom trad hij toe tot de Communistische Partij en was, in de tijd dat deze ondergronds opereerde, een van zijn ijverige activisten. Toen hij eenmaal hoofd van de personeelsdienst van de Securitate in het district Constanţa was geworden, stortte Mesia Khacerian zijn wraakzucht met genoegen uit over de wereld die, weliswaar zonder zich daarvan bewust te zijn, de spot met hem had gedreven. Hetgeen des te meer verdiende bestraft te worden, want erger dan door de spot die hij voelde schrijnen wanneer hij ineengedoken op de treden van het huis van Manisalian aan de boulevard zat te staren, was Mesia gekwetst door de onverschilligheid van deze wereld die hem, Mesia, nog minder waard had geacht dan een kreukel die de moeite loont om gladgestreken te worden. Hij wreekte zich methodisch op de uniformen en de redingotes, hij verstrooide de bankbiljetten en schatkistpapieren, hij trok vloeren eruit, hij haalde haardplaten los en brak tegels van de wanden, hij rommelde in lades en doorzocht boeken in de boekenkast, hij gaf dagloners opdracht de tuin om te spitten en de houtschuren leeg te halen op zoek naar gouden munten, hij haalde de herenhuizen leeg en smeet de eigenaars de straat op. En vooral, bij het zien van die kreupele man met het witte haar, dat hem anders een zekere gedistingeerdheid had verleend maar dat, in die omstandigheden, slechts een reden tot angst te meer was, bij het zien van Mesia dus, wisten ze dat er geen ontkomen meer aan was. Hij bekeek hen om beurten, genoot van hun vrees, liet hen neerknielen en onderbrak hen niet, ongeacht hoe langdurig, hoe gênant en, uiteraard, hoe nutteloos hun smeekbeden ook waren. Hij was vooral erg verguld met het angstzweet dat, net als paarlemoer, zo zijn eigen licht bezat, want het glom, ongeacht hoe donker het was. Mesia bezag hoe de zweetdruppels zich verzamelden bij de neuswortel, op de slapen, hoe ze tappelings omlaag liepen, hoe de ineengedoken mensen, met hun kinderen aan hun borst of in de haast hun spullen bijeen graaiend, deze probeerden af te vegen met de mouw van hun jas, zonder te weten van hoe diep ze opwelden. Sommigen probeerden hem te tarten met hun blikken, om onverschilligheid te veinzen ten aanzien van de overhoop gehaalde kamers, ten aanzien van het omgewoelde beddengoed en de losgetrokken vloeren. Het zweet welde echter op uit de kieren van hun geest en soms voelde Mesia de aandrang om die druppels op zijn vingertoppen te nemen en ze te proeven. Ongetwijfeld zouden ze als honingzoet op hem zijn overkomen. Maar hij verdeed zijn tijd daar niet mee, mensen die transpireren verschillen van elkaar, maar hun zweet is eender.

Manisalians huis, op de treden waarvan hij ineengedoken had gezeten om de wandelingen van de redingotes en de plooirokken op de boulevard te aanschouwen, was gesloopt. Hoe dan ook zou zijn trap hem niet langer tot nut zijn geweest. Nu slenterde hij zelf over de boulevard, gevolgd door twee mannen in leren jassen. De mensen gaven hem ruim baan en wierpen angstige blikken in zijn richting. De vergelding liep voor hem uit, zoals fluitspelers voor de koningen uit gingen. Sommigen kenden hem van gezicht, anderen vermoedden slechts dat hij het was afgaande op zijn slepende tred en zijn witte haar, als een onverdiend aureool. ‘Het is Mesia,’ fluisterden ze, en zo voegden ze deze nieuwe vrees voor hem toe aan Het boek der fluisteringen, dat bol staat van de angsten.

In tegenstelling tot Mesia had Dinar Macarian het avondlyceum gevolgd en hij was nu secretaris van de Armeense school van Constanţa. Hij had een beminnelijk voorkomen en een zachte stem. Hoewel hij het later tot generaal van de Securitate zou schoppen en een tijdlang Roemenië heeft vertegenwoordigd bij de instellingen van de Verenigde Naties in Genève, vertoonde hij diezelfde ongebruikelijke minzaamheid ten aanzien van de mensen in wier midden hij leefde. In Het boek der fluisteringen zult u allerlei personages aantreffen: sommigen komen voorbij zonder naam en zonder gezicht, anonieme en collectieve personages die zich dikwijls moeizaam voortslepen onder de last van knapzakken of wapens en geen beginpunt en eindpunt lijken te hebben, waardoor ze een zekere berustende droefenis uitstralen. Collectieve personages hebben het zegel van de twintigste eeuw gedragen. Door toedoen van oorlogen, dictaturen, deportaties en slachtpartijen heeft het gemeenschappelijke deel van hun biografieën de overhand gekregen boven de verschillen. Er zijn ook personages die zich hebben onderscheiden, die meer bevelen hebben gegeven dan ze hebben gekregen en die daardoor minder leed te verduren hebben gekregen dan ze om zich heen hebben verspreid. Als we ons echter beperken tot de Armeniërs van Het boek der fluisteringen, was Dinar Macarian in ten minste twee opzichten anders. In de eerste plaats doordat hij, toen hij eenmaal Securitate-officier was geworden, zijn naam veranderde in Ion Moraru – iets wat Armeniërs normaal gesproken niet deden – en in de tweede plaats omdat het hem gegeven is geweest zijn eigen eeuw te overleven tot in het nieuwe millennium, halfblind en teruggetrokken in een huis aan de rand van Boekarest, in het dorp Pantelimon, waar hij toch nog de kracht had weten te vinden om zijn Armeense naam weer aan te nemen, die in zijn grafsteen staat gebeiteld.

Wij zijn nu echter pas in april 1943. Mesia Khacerian en Dinar Macarian waren net gearresteerd door de Siguranţă.* Achter de Armeense school, waar Dinar zijn secretariaatswerkzaamheden verrichte, bevond zich een wapendepot van de Duitsers. Dinar had de plattegrond van het depot bestudeerd en hij had besloten dat, om er zeker van te zijn dat alles de lucht in zou vliegen, dit de meest geëigende plaats was om de bom te plaatsen. Mesia ging naar Boekarest om springstof te bemachtigen. Alles wat ik heb weten te achterhalen door Mesia’s spoor te volgen, die echter zwart haar, een gezond been en een vlotte tred had, is dat hij een persoon heeft ontmoet die hij Duşa noemde en die hem een tas heeft overhandigd met alle benodigdheden voor het vervaardigen van een bom. Later zijn ze erachter gekomen dat alles wat hierop is gevolgd te wijten was aan deze Duşa, die in Boekarest was aangehouden. Duşa bekende en werd tot een gevangenisstraf veroordeeld. In Mesia was de haat sterker dan de pijn. Hij doorstond de martelingen zonder iets te bekennen. Als gevolg van de ondergane kwellingen kleurde zijn haar helemaal wit en bleef hij voor de rest van zijn leven kreupel. Daar maakte hij zich niet zo druk over, want het zag ernaar uit dat de rest van zijn leven kort zou zijn. Mesia Khacerian werd schuldig bevonden aan sabotage en ter dood veroordeeld, net als, samen met hem, Ardaş Torosian, Hacig Kazangian en Garabet Daglarian, dezelfden die we enkele jaren later weer zullen tegenkomen op de dek van het schip Rassia, te midden van andere repatrianten. Kort voordat de straf ten uitvoer zou worden gelegd, ging het Roemeense leger, op 23 augustus 1944, over naar het andere kamp en althans voor Mesia Khacerian bleek het Rode Leger een bevrijdingsleger te zijn. Mesia keerde terug onder de mensen met dat nieuwe, eenvoudig te herkennen voorkomen, maar onvermurwbaar en daarom iemand om wie je niet heen kon. Hij was betrokken bij het opzetten van de Staatsveiligheidsdienst in Dobrogea,* waarvoor hij mensen zoals hij rekruteerde, die haatgevoelens koesterden en zich voedden met de angst die ze om zich heen verspreidden.

In dezelfde tijd haalde Onik Tokatlian het IJzeren Kruis van zijn borst, dat hij kort voordat de Russen het land waren binnengekomen had ontvangen, en stopte het in een la, naast de Kroon van Roemenië en de Orde van Militaire Verdienste, verkregen aan het oostfront, waarheen hij wapens had vervoerd en vanwaar hij, in het voorjaar van 1944, hals over kop Roemeense, Duitse en Slowaakse soldaten en officieren alsmede oorlogsmaterieel had geëvacueerd uit de omcirkeling door het Sovjetleger. Na afloop van de oorlog keerde Onik Tokatlian terug naar de koopvaardij op de route van Constanţa, via de Middellandse Zee, naar Marseille. Maar net als voor vele anderen was de oorlog voor hem nog niet voorbij en hij bleef omsingelden redden. De oorlog werd niet langer gevoerd tussen landen en legers, want die was echt afgelopen. Hij was echter te kort geweest als je keek naar alle redenen die hij had gehad om uit te breken. Daar waar landen niet langer oorlog voerden met elkaar en op adem probeerden te komen na de strijd, gingen mensen ertoe over binnen één en hetzelfde land oorlog te voeren. In plaats van granaten waren het woorden die doodden. Kil en meedogenloos was er een andere oorlog over Europa neergedaald, waarin het woord het dodelijkste wapen was.

De bonte wereld van de kooplieden bleek weerloos. Koopwaar was steeds moeilijker te vinden, de beurzen waren amechtig, gouden munten begonnen te verdwijnen, verborgen in de aarde, in pleisterwerk, onder vloeren, in het holst van de nacht en onder ede weggeglipt, als de slang des huizes. De bankbiljetten werden steeds groter en steeds fraaier gekleurd, maar tegelijkertijd steeds minder waard. In Constanţa oefende de mensen van Mesia Khacerian een schrikbewind uit. Ze waren te herkennen aan hun leren jassen, aan de bobbel rechts op hun heup, waar ze hun pistoolholster droegen, en aan hun schaduwen, die langer waren dan die van anderen. Nu het in de haven steeds stiller werd, nu de kranen stilstonden in afwachting van schepen die niet meer kwamen, nu de koopwaar gevorderd was, nu de etalages al grauw waren geworden doordat er een ander soort as was neergedwarreld, waren de winkels steeds minder vaak verlicht, totdat hun luiken voorgoed werden neergelaten. Binnen enkele jaren waren de winkels gesloten en waren ze geschrapt uit de handelsregisters. In plaats ervan kwamen andere winkels, somber, armoedig en zonder naam of eenvoudigweg ‘Brood’, ‘Tabak’, ‘Levensmiddelen’ of ‘Textiel’ geheten, of, om geen verplichtingen voor de verkoper te scheppen en geen verwachtingen bij de koper te wekken, alleen maar ‘Winkel’. Anders dan de protserige of grillige, ijdele en exotische namen, met fraai gekleurde etalages en schitterende vloeren, dikwijls bedekt met dikke kleden uit Karabach of Boechara. De neringen bij elkaar vormden een waarachtige Arke Noachs: ‘In de kalkoen’ van Zadig Taţichian, ‘In de tijger’ van Agop Kazazian, ‘In de olifant’, het één verdieping hoge uithangbord van Chircor Siropian, ‘In de mier’ van Ovanez Daghlarian, ‘In de papagaai’ van Maria Grigorian, ‘In de duif’ van Krikor Selian, ‘In de ooievaar’ van Levon Horasangian, ‘In de kameel’ van Pilibos Kevorkian, ‘In de haan’ van Manuc Ovanesian, ‘In de hinde’ van Agop Apcarian, ‘In de adelaar’ van Maria Levonian of ‘De oeros’ van Onic Kazazian. De bedrijven van de Armeense kooplieden boden een eindeloze reis langs de wegen van de Oriënt. ‘In India’ nodigde de winkel in koloniale waren van Ervant Krikor je uit, ‘In Egypte’ lokte je, eveneens te midden van koloniale waren, Micael Arichian. ‘Aan de Bosporus’ bracht Chircor Diarbechirian je in herinnering, of ‘In de Kaukasus’, Aram Mariginian, En verder: ‘Arabia’ – Nişan Ovanisian, ‘In Buchara’ – Nubar Papazian, ‘In Ceylon’ – Dicran Balian. De reis voerde niet alleen over de wegen van de Oriënt, maar ook naar de nadir ervan: ‘Op de maan’ van Mardiros Zacarian, ‘Op Venus’ van Nazaret Aramian of, verdere verwijderd dan alle anderen, ‘Op de planeet Jupiter’ van Mihran Dobagian. En nog andere, met snoeverige namen, met omhullende aroma’s en glibberige glimlachjes: ‘Ideaal’ was de belofte van Hapet Kasparian, de ‘Zwitserse horlogerie’ van Sarchis Boghosian, ‘Haarmode Elite’ van Suren Abramian, ‘In de chique ridder’ van Armenac Silvian, ‘In het gouden hoefijzer’ van Victoraş Cardaşian, ‘In de moderne lamp’ van Haigazun Pilibosian. ‘Bon Marché’ beloofde Esai Eramian of, meer voor ieders begrip, ‘In de goede koop’ van Arşag Mardiors, en verder, ‘In de Amerikaanse horlogerie’, ja zelfs ‘In de Amerikaanse wasserij’, ‘In de bazaar Concurrentie’ ‘Internationale haarmode’, ‘In de speciale horlogerie’, ‘In de speciale kroon’, ‘In de koninklijke kroon’, ‘In de spoorwegklok’, ‘Speciaal brood’, ‘In de dichte schaduw’, ‘In de moderne chic’, ‘Miss Roemenië’ van mevrouw Araxi, ‘Bakkerij Triomf’, ‘In het miljoen’, ‘Origineel’. Winkel na winkel, langs Bulevardul Ştefan cel Mare, langs Bulevardul Carol, aan Piaţa Ovidiu, langs de rechte en zonovergoten straten van de stad, gebleekt door de zilte bries, als bonte en kakelende vogels. En in deze Arke Noachs bleef de regenboog als laatste over, een teken dat het water zich had teruggetrokken, maar dat de wolken, grijs doch droog, zich weer aan het vergaren waren. Als laatste, geschrapt in 1948, sloot de winkel voor schoeisel en verf met de naam ‘De regenboog’ van de gebroeders Agop en Garabet Kumbetlian zijn deuren. Vanwege zijn koppige volharding om de zaak draaiende te houden en de luiken iedere ochtend opnieuw weer op te trekken, werd Agop opgesloten in Poarta Albă, in het werkkamp.

Dit waren allemaal lieden die een kleine nering, manufacturen of werkplaatsen met een paar leerjongens hadden gedreven. Op de plaats achter de zaak bevond zich dikwijls ook hun woonhuis. Al hun geld was in de koopwaar gestopt en het besluit om te sluiten kon niet van de ene dag op de andere worden genomen, maar alleen na een geleidelijk afbouwen van de voorraad.

Er waren echter ook kooplieden die erin waren geslaagd om geld opzij te leggen, dat ze vervolgens in goud en edelstenen hadden omgezet. Deze waren als eersten vertrokken. Van de anderen hebben sommigen pas vijftien jaar later de stap gewaagd om via Libanon naar Amerika te reizen, in het kader van een actie van de gehele Armeense diaspora. In 1945 waren de tijden echter rommelig, net als de muren, net als de mensen. Je wist niet wie je kon vertrouwen. Wie wilde vertrekken, vertelde dat aan niemand. Ze lieten zelfs holle, maar geruststellende woorden achter, morgen zien we elkaar op de koffie of voor een sorbet, ze leenden geld uit of bestelden goederen die ze vooraf betaalden, zodat niemand iets zou vermoeden. Vervolgens propten ze de edelstenen in zakjes, stopten de zakjes onder in hutkoffers en vertrokken in alle vroegte met de auto naar Constanţa. Vanuit Galaţi, vanuit Brăila, vanuit Sulina, vanuit Boekarest. Daar probeerden ze overdag op te gaan in de drukte van de stad, ’s nachts daalden ze af naar de haven, waar een vertrouwensman van Onik Tokatlian op hen stond te wachten om hen te verbergen in de vochtige en donkere buik van het schip, tussen de balen koopwaar. En eenmaal in Marseille zegenden ze Onik Tokatlian en probeerden hem vergeefs te bewegen om een edelsteen naar keuze aan te nemen bij wijze van dankbetuiging, gingen de stad in en zochten onderdak binnen de, overigens omvangrijke, Armeense gemeenschap in de havenstad, of stapten over van het ene schip op het andere, naar nog verder verwijderde en derhalve nog veiliger plaatsen. Op deze wijze zijn de welvarende families van Armeense kooplieden, Israelian, Varteresian, Diarbekirian of Seferian, tussen de zakken rijst, stapels laken, blikken olijven of containers met graan in Buenos Aires verzeild geraakt, zo is de Seferians crypte leeg gebleven, slechts beschenen door de vlam van de olielamp die naast de gezagvoerder op de grote vaart Onik Tokatlian brandde.

We zijn nog aan het begin van de maand 1946, Onik Tokatlian heeft zoals altijd toezicht gehouden op het lossen van de goederen aan boord van zijn schip, heeft wat geld uitgedeeld onder zijn bemanning en toen alles in orde bleek te zijn, heeft hij de haven verlaten, via de omhooglopende bestrate laan die het kantoor van de havenmeester verbond met Piaţa Ovidiu. In die tijd stonden de bomen dichter op elkaar. Onik herkende de ander nog voor hij uit de duisternis was getreden, vanachter de bomen vandaan. Hij herkende hem aan het ongelijke geluid van zijn voetstappen. Het vroor, maar Mesia Khacerian droeg geen muts en zijn haar glansde.

Hoewel er verder niemand getuige is geweest van hun gesprek, kunnen we het hier foutloos weergeven. Vooral omdat we er, gezien de nasleep, naar kunnen raden.

Mesia zei: ‘Ik weet alles, Onik Tokatlian.’

De gezagvoerder vroeg hem niets, hij ontkende niets en gaf niets toe. Hij liet het over zich heen komen. Mesia vervolgde, met een stem zo droog als een brekende tak: ‘Tijdens de volgende reis ga je van boord in Marseille en verdwijn je. Dat is alles wat ik voor je kan doen. Als je terugkomt, laat ik je oppakken wegens hoogverraad.’

Toen kwamen ze naar elkaar toe. Het zou bij een monoloog zijn gebleven als op het moment dat ze oog in oog met elkaar stonden, Onik Tokatlian niet had gezegd: ‘Moge God je vergeven, Mesia.’

En Mesia niet had geantwoord: ‘Moge God je vergeven, Onik.’

De nieuwe wereld, waarin nieuwigheden het gevaarlijkst waren, was eerder gewend aan wat de communistische schoenlapper Mesia Khacerian zei dan aan de woorden van Onik Tokatlian, held in de oorlog tegen het bolsjewisme. Het lijdt geen twijfel dat Onik, onderscheiden met het IJzeren Kruis en redder van de Roemeense troepen die aan het oostfront hadden gestreden, op een gegeven moment toch zou zijn gearresteerd, samen met vele andere officieren van het Roemeense leger, voor wie, qua respect, een uniform niet hetzelfde was als een overall en voor wie heldendaden niet hetzelfde waren als de daden van deserteurs of krijgsgevangenen die samen met het Rode Leger huiswaarts keerden.

We kunnen ons voorstellen, eveneens zonder fouten te maken, dat dit korte gesprek heeft plaatsgevonden in het Armeens. Mesia had veel van zijn moeder gehouden. Ze was een beklagenswaardige vrouw geweest en net als de overige vrouwen die ’s zondags bijeenkwamen naast de Armeense school aan de kust, die na de brand van 1942 tot kerk was omgebouwd, was ze ervan overtuigd dat er niets, zelfs leed niet, kon bestaan zonder God. Mesia had dit woord misschien in zijn mond genomen ter nagedachtenis aan zijn moeder of omdat de woorden die we van onze ouders hebben geleerd niet uit begrip maar uit gewoonte uit onze mond komen.

Ze gingen zonder omkijken uiteen. Mesia Khacerian naar een van zijn nachtelijke invallen, en Onik Tokatlian naar het station, om de trein naar Boekarest te nemen, naar huis. Mesia Khacerian inspecteerde zoals altijd zijn mensen. Sommigen van hen waren goede zoekers. Die hadden een neus voor de geur van goud en haalden verborgen muntstukken tevoorschijn uit plaatsen waarvan je het bestaan niet had bevroed. Mesia zocht nooit, hij keek alleen toe.

Onik Tokatlian, daarentegen, heeft erna niemand meer ontmoet. Want niemand kon zich herinneren hem nog te hebben gezien. Hij ging naar huis, naar de eenzaamheid van zijn kamertje van zeeman op de grote vaart. Hij haalde zijn gala-uniform uit de hutkoffer, het uniform met de gouden tressen, hetzelfde wat hij op de foto in Seferians crypte draagt. Hij schoor zich, waarschijnlijk had hij zichzelf niet helemaal meer onder controle, want later is er bij hem een dun sneetje, van het scheermes, onder het oor waargenomen. Hij trok met zorg zijn uniform aan, van de sokken en de koppel tot en met de gesloten gesp. Hij speldde al zijn decoraties op zijn borst, waarschijnlijk inbegrepen het Duitse IJzeren Kruis. Dat is echter niet meer aangetroffen, een van de mannen die enkele dagen later de kamer zijn binnengestormd, en die vast en zeker tot zijn vriendenkring behoorde, heeft het van zijn borst getrokken en weggegooid, omdat hij er – wat volslagen onzinnig was – van uitging dat Onik Tokatlian nog beschermd diende te worden en dat de nieuwe inquisiteurs hem, zelfs in de staat waarin hij was aangetroffen, nog kwaad konden berokkenen.

Vreemd is het feit dat Onik Tokatlian op die momenten de behoefte voelde zichzelf in de spiegel te bekijken. Hij weigerde zogezegd zich te laten blinddoeken en heeft de dood in de ogen gezien. Vervolgens heeft Onik Tokatlian, feestelijk aangekleed, terwijl hij zichzelf in de spiegel bekeek en zo afscheid van zichzelf nam, een kogel door zijn hoofd gejaagd.

Het Armeense kerkhof was afgeladen. De familieleden van degenen die erin waren geslaagd te vertrekken, hutjemutje in de ingewanden van schepen en onder de hoede van gezagvoerder Tokatlian, degenen die op hun beurt hadden willen vertrekken en dat niet meer konden en vele anderen, een zeer gemêleerd gezelschap. Te midden van hen ook onbekende, spiedende gezichten, die niet waren gekomen om te wenen en ook niet de moeite namen te doen alsof. En toch huilden de anderen, ook al wisten ze dat ze in de gaten werden gehouden. Ondanks de veelsoortige beperkingen van de tijden die hun opwachting maakten en die zich zouden doen gelden, bleek de traan zich nog niet te laten knechten.

 

[fragment 4, p. 331 t/m 380]

 

Acht

het verhaal van yusuf. In Het boek der fluisteringen komen geen verzonnen personages voor, ze hebben immers allemaal op deze wereld geleefd, op hun eigen plaats, in hun eigen tijd en met hun eigen naam. Er is één enkel personage dat wellicht als verzonnen overkomt en dat komt doordat zijn bestaan Het boek der fluisteringen verandert in een getrapte werkelijkheid die zichzelf verveelvoudigt, als twee tegenover elkaar geplaatste spiegels. Ik schrijf dikwijls over de verteller van Het boek der fluisteringen. In mijn vertelling vertelt de verteller over Het boek der fluisteringen. En in dit nieuwe vertelde boek maakt opnieuw de vertellende verteller zijn opwachting. Hij vertelt over de verteller en over diens vertelling. Als het andersom zou zijn en ik bij de laatste verteller zou belanden, bij degene die zo zwak is dat hij zichzelf beschrijft, en ik zou vanaf hem naar mijzelf toe komen, dan zouden we de droom hebben, vervolgens de droom in de droom enzovoort. Op deze wijze, door te schrijven over degene die schrijft, en die op zijn beurt gebogen zit over het manuscript waarin ook het personage genaamd de auteur voorkomt en schrijft, bevinden wij ons echter in een soort getrapte afdaling, zoals bij die in elkaar passende speelpoppen, de matroesjka’s die de oude Musaian had meegebracht uit Siberië, toen hij de tel van de jaren al kwijt was en er niet bij had stilgestaan dat zijn zoon, Arachel, inmiddels de soldatenleeftijd had bereikt.

Te midden van zoveel reële personages zijn er sommige namen die u ook in de geschiedenisboeken zullen vinden, andere zult u alleen in Het boek der fluisteringen tegenkomen. Het boek, hoewel het meestal spreekt over het verleden, is geen geschiedenisboek, want in geschiedenisboeken gaat het met name over de overwinnaars; het is eerder een verzameling psalmen, want het spreekt voornamelijk over de overwonnenen. En te midden van de personages van het boek is er ook eentje die niet heeft bestaan en desondanks, of wellicht juist daarom, een naam draagt: hij heet Yusuf. Deze Yusuf was niets anders dan een geleende naam en hij bestaat alleen in Het boek der fluisteringen omdat hij, hoewel hij geen deel uitmaakt van het samenstel van het boek, niettemin de sleutel is die de deur van het meest beweende vertrek van die marginale eeuw opent, voorzien van kale, met de nagels bekraste wanden, met opengebroken vloeren, met opgehoopte aarde, willekeurig opgeworpen, zoals dat gebeurt met inderhaast gedolven graven. En de meest overhaaste graven zijn de massagraven.

De levenden en de doden behoren toe aan hemel en aarde. Alleen de stervenden behoren volkomen toe aan de dood. Deze waart tussen hen rond, hij is gewoonweg goedaardig, want op sterven liggen is een staat waar de dood liever niet al te snel een einde aan maakt. Deze vormt zijn verse haver. De stervende staat is een initiatie voor de dood. Van Al Mamoura tot Deir ez-Zor, over een afstand van meer dan driehonderd kilometer, heeft een heel volk de zeven kringen doorlopen, dat wil zeggen: de weg van de initiatie tot de dood. Aan het einde waarvan Sahag Șeitanian Yusuf heeft ontmoet.

 

al mamoura. de eerste kring. Het was een rechte weg, die langs de spoorlijn liep. De toegang tot de eerste kring, van de konvooien die waren gevormd door Armeniërs uit de meest uiteenlopende plaatsen, uit Europees Anatolië, Smyrna, Izmid of Adrianopolis, of uit de vilajets van oostelijk Anatolië, uit Trebizonde, Erzurum of Kharpert, geschiedde te voet. Van een afstand gezien, zoals ze daar voortliepen, dicht opeen en met gebogen voorhoofd, hadden ze wel iets weg van pelgrims. Alleen worden pelgrims voortgedreven door hun geloof en niet door soldaten die hen in de rug duwden met de snuiten van de paarden of degenen die afgedwaald waren met zweepslagen terugbrachten in het konvooi. Het gezin waar Sahag Șeitanian toe behoorde bestond uit vijf personen: zijn grootmoeder, zijn ouders, zijn jongere zusje en hijzelf. De andere twee kinderen, die ouder waren, Simon en Haigui, waren in het geheim naar Constantinopel gestuurd. Zijn moeder, Hermine, was een levenslustige vrouw. Ze stond nog stevig op haar benen, sloeg haar armen om haar kinderen heen en hield de rechte weg aan, in het midden van het konvooi, om hen te beschutten voor de paardenhoeven. En om hen te behoeden voor de aanblik van de door de raven aangevreten lijken langs de kant van de weg. Ze hadden wat geld, dat Rupen, de vader, onder zijn hemd verborgen hield. Met een deel ervan hadden ze een soort kaartjes kunnen kopen, beter gezegd: ze hadden er de welwillendheid van de stationschef in Izmid mee gekocht en waren in de trein gestapt waarmee ze de route Akșehir-Konya-Pozantı-Adana hadden afgelegd, tot halverwege de afstand tot Al Mamoura, waar de trein stilhield op bevel van het leger, dat de spoorweg had geblokkeerd. Maar het stoppen van de trein, al zou de tocht, tijdens welke ze over rotspaden moesten lopen of zinderende vlaktes moesten oversteken, uitputtend worden, had hun leven gered, want de veewagons waarin ze waren gepropt waren te krap geweest, ze hadden vrijwel niets meer te eten en niemand had hun water gegeven. De doden die nog in de wagons lagen, waren degenen die nog maar net waren overleden, want allen die onderweg waren gecrepeerd hadden ze uit de wagons op het talud gesmeten.

Ze hadden dus twee keer geboft. Ten eerste omdat ze geen honderden kilometers te voet hoefden af te leggen, en ten tweede omdat ze uit de wagons waren gezet toen ze met hun allen op het punt stonden de verstikkingsdood te sterven. Maar de meesten, vooral de konvooien uit de westelijke vilajets, kregen die kans niet. Die legden de hele weg te voet af, al lukte het sommigen van hen, de meest welgestelden, karren en muildieren op de kop te tikken. Door de uitputting, de kou, de honger, de roofovervallen en de moordpartijen waren van de bijna anderhalf miljoen gedeporteerden een half miljoen mensen omgekomen nog voordat ze de rand van de eerste kring bereikt hadden. Daar kwamen degenen nog bij die wel hun bestemming hadden bereikt, doch niet op eigen kracht, maar meegevoerd door het water van de Tigris en de Eufraat.

In september begonnen de nachten koud te worden, zonder dat de hitte overdag werd ingetoomd. Ze waren gedwongen om hun bivak op te slaan op een uitgestrekt stuk land naast het station van Al Mamoura. Zover het oog reikte, hadden de mensen uit alles wat ze maar voorhanden hadden, uit dekens, kleding en beddengoed, een soort tenten opgetrokken. In merendeel leunden die slechts op vier stokken, waartussen over een oppervlakte van drie-vier vierkante meter een verschoten lap was opgehangen, die wel bescherming bood tegen de zon en de regen, maar volstrekt machteloos was tegen de kou. Sahag telde met zijn blikken zoveel in elkaar geflanste tenten, dat de grenzen ervan buiten zijn gezichtsveld vielen. Ze waren opzettelijk aan de rand van de stad neergezet, aan de andere kant van de spoorlijn, zodat de grens die door de rails werd gevormd eenvoudig te bewaken was en niemand het zou wagen de stad in te gaan voor brood. Zij hadden nog wat te eten, ze verorberden het gehaast en behoedzaam, in de schaduw van de tent, om niet te worden gezien door de mensen om hen heen.

Af en toe naderden losse groepjes de spoorlijn, maar die werden dan teruggejaagd naar het kamp. Toch stopte de soldaten uiteindelijk met hun bedreigingen en lieten hen hun gang gaan. Want ditmaal waren het mensen die van tent tot tent gingen en de bewoners ervan hielpen hun doden af te voeren. En om de doden niet helemaal alleen te laten, legden ze hen naast elkaar neer, en vervolgens, wanneer hun aantal te groot werd, boven op elkaar, zodat de dood stapels deed ontstaan die het kamp omringden als wachttorens. De dieren snoven van de honger en van de geur van de dood, het waren hoofdzakelijk muilezels, ingespannen voor de karren of ingezet om knapzakken op hun lastzadel mee te zeulen, zij hadden bewezen meer weerstand te bezitten, de paarden waren ofwel van de dorst gestorven ofwel hadden hun enkels gebroken op de bergpaden. De honden hielden afstand, ze werden in de oogopslag van de mensen dezelfde honger en opgejaagdheid gewaar, ze wachten geduldig, net als de zwermen kraaien, het vallen van de avond af.

Ze sliepen dicht tegen elkaar aan, om warm te blijven. Overdag kleedden ze zich uit en maakten een afdak van hun aan elkaar geknoopte kledingstukken. Ze hadden het met twee pasgetrouwde jongeren uit Konya op een akkoordje gegooid, dat ze hun kar zouden delen en dat de mannen hem vanachteren zouden duwen, om beurten, om de muilezel te helpen. Een vrouw bood aan hun lakens te verstellen, zodat ze langer heel zouden blijven in de vlagerige wind. Ze was in het gezelschap van haar verloofde, ze zouden gaan trouwen, maar de bruiloftsgasten waren onderweg gestorven.

Sahags moeder had twee potten, waarin ze regenwater opving. Wanneer het water op was, betten ze hun lippen met de lappen die ze ’s nachts ophingen zodat ze het vocht van de dauw konden opnemen.

Toen de menigte tenten te ver uitdijde en dreigde de spoorlijn te overspoelen en het aantal doden zo hoog was opgelopen dat de lucht zwaar werd van de geur van de dood, baanden de soldaten zich te paard een weg tussen de tenten door en dwongen enkele duizenden mensen om opnieuw op pad te gaan. De tenten stortten in onder de paardenhoeven, de mensen werden met zweepslagen naar de rand gedrongen. Wanneer ze er niet in slaagden hun spullen snel genoeg in bundels te pakken of hun tenten op te vouwen, joegen de ruiters hen op door de uit droog textiel bestaande afdekkingen brand te steken.

Eind oktober waren zij aan de beurt. Tot de volgende pleisterplaats moesten ze ongeveer vijf uur lopen voor iemand die gezond van lijf een leden was, maar voor nam het bijna twee dagen in beslag.

 

islahiye. de tweede kring. De route voerde door het Amanusgebergte, over de bergkammen, daalde vervolgens af naar Islahiye aan de oever van een rivier. Het bereiken van de tweede kring ging ook gepaard met de eerste sneeuwval. Velen gingen gekleed in verweerde vodden en alleen het met hun zweet doortrokken stof maakte hun kleren wat dikker en verschafte hun op deze wijze enige warmte. Ze hadden de deken op de muilezel laten liggen en hadden zich, gedurende de gehele tocht, in lakens gehuld. Ze lieten de kar achter, waarvoor geen ruimte was op de smalle paadjes, en de mannen droegen, op hun rug, zoveel mogelijk van hun bezittingen mee. Toen het wat warmer werd, scheurden ze een laken in repen en bonden zich aan elkaar vast om te voorkomen dat ze langs de steile hellingen omlaag zouden glijden. Het was een nette weg, zoals die in de bergen zijn, en zo bleef hij ook na de passage van het konvooi, want degenen die machteloos neervielen, werden met stokslagen het ravijn ingeduwd. De oude vrouw was op de muilezel gehesen, wat haar hielp de tocht te volbrengen, in tegenstelling tot vele anderen die van uitputting stierven of zieltogend in de diepte stortten, zodat ze tegen de rotsen te pletter sloegen. Toen ze de vlakte bereikten, werd het konvooi opgewacht door een bende van enkele tientallen gewapende Koerden. Als op een teken maakten de soldaten pas op de plaats, zodat ze het konvooi weerloos zijn weg lieten vervolgen. De mensen bleven staan, terwijl ze angstige blikken wierpen in de richting van de ruiters die op hen af stormden, zwaaiend met hun vuursteengeweren en zwaarden. Het was een smalle hoogvlakte, achter hen waren aan de ene kant de bergen en aan de andere kant de steile hellingen, en voor hen de ruiters. Een tafereel dat we kennen uit honderden relazen. Aan hun lot overgelaten konvooien, verstoken van bescherming, in meerderheid vrouwen en kinderen, die over het veld alle kanten uit vluchten om een goed heenkomen te zoeken, zonder te beseffen dat ze, juist op het moment dat ze erin slaagden zich los te maken van de groep, een onmisbare prooi vormden voor de ruiters, belust op roof en bloedvergieten, want het waren ofwel met dat oogmerk uit de Turkse gevangenissen vrijgelaten en bewapende misdadigers, ofwel Koerden, Tsjetsjenen of bedoeïenen. Zelden stuitten ze bij toeval op hen, meestal waren ze op de hoogte gesteld van het reisschema en de route van de konvooien, en de soldaten hadden opdracht gekregen afstand te bewaren en hen hun gang te laten gaan. Soms alleen om hen te beroven en hun jonge vrouwen te schaken, andere keren, zoals dikwijls gebeurde, om hen tot op de laatste man af te slachten. Er was geen peil op te trekken, je kon worden gedood omdat je geld of sieraden bij je had of omdat je niets meer te geven had. Het beste was om je op te rollen of languit te gaan liggen en doen alsof je dood was. Als je het geluk had niet onder de paardenhoeven te worden vertrapt, kon je ontkomen totdat de ruiters, die steeds op zoek waren naar bewegende doelwitten, er de brui aan gaven of de schemering neerdaalde en ze kreten slakend wegreden, terwijl ze op de zadels van hun paarden de breidels van de spartelende vrouwen aansnoerden. De vlakte lieten ze bezaaid met lijken achter, waartussen de overlevenden langzaam, verdwaasd overeind krabbelden.

De verloofde van de vrouw met ze bevriend waren geraakt, werd ook omgebracht. Hij droeg om zijn hals een ketting zonder waarde, die echter glom, waar een ruiter zijn oog op laten vallen, en deze nam niet de moeite hem zich op een andere manier toe te eigenen dan door zijn hoofd af te houwen. Ze waren genoodzaakt hem daar achter te laten, als prooi voor de dieren.

Doordat ze de gewonden mee moesten zeulen, bereikten ze pas tegen de dageraad het kamp van Islahiye. Bij de ingang tot het kamp lagen aan weerszijden twee stapels lijken, hoofdzakelijk kinderen. Er werden tenten opgezet. Er was vrijwel niets meer te eten. ’s Ochtends doorkruisten soldaten te paard kriskras de vlakte en gooiden lukraak broden in de richting van de tenten. De mensen doken erop, waardoor meerderen één brood te pakken kregen en elkaar erom bevochten. Tegen het middaguur daalde de rust neer over het kamp, de mensen sleepten zich onder de tenten om te waken bij de stervenden.

De soldaten bewaarden afstand, want de verstikkende geuren van de dood waren niet zoet, maar scherp en verkondigden de verspreiding van dysenterie. De kampcommandant riep de gezonde mannen bij zich en gaf hun opdracht de doden te vergaren. Aangezien honger en dysenterie in die herfstmaanden, in het kamp van Islahiye, meer dan zestigduizend slachtoffers hadden gemaakt, beval de commandant dat doden twee, drie dagen aan de rand van het kamp moesten blijven liggen alvorens te worden begraven. Wanneer ze aan de wind waren blootgesteld, droogden de doden immers uit en verschrompelden ze, zodat ze minder plaats innamen; zo werd er ruimte geschapen in de massagraven.

Daarna zetten ze de tenten dichter bij elkaar, zodat er geen ruimte was voor de rovers, vooral de bedoeïenen uit de omliggende dorpen, om ertussendoor te glippen. Bang voor elkaar waren ze immers niet, want geen van de gedeporteerden stal geld of goud, want daar konden ze toch niets mee beginnen. En de dingen waar ze wellicht naar hunkerden – meel, suiker of gedroogd vlees – waren toch allang op. De dieren zochten, aan de voet van de muren of tussen de spoordijken, naar plukjes gras. Zij van wie de ingewanden werden verscheurd door dysenterie lagen opgerold op de grond op hun dood te wachten. De anderen kauwden langdurig op de brosse broodkorsten die hun vanaf de galopperende paarden waren toegeworpen.

Er gebeurde iets wonderbaarlijks en vreselijks tegelijk: het begon te sneeuwen. Ze renden met opengesperde handpalmen uit de tenten naar buiten, ze hadden nog genoeg leven in zich om de vlokken te doen smelten in de holtes van hun handen en de druppels van hun vingers te likken. Daarna, toen ze zagen dat het harder begon te sneeuwen, wachtten ze tot hij een laag vormde en likten ze hem van de grond, net zoals de honden en de muildieren deden. Sahag had zich er meer aan te goed gedaan dan de anderen, want het was hem opgevallen dat de sneeuw vooral dikker was en langer bleef liggen op de voorhoofden van de doden, die killer waren dan de aarde zelf.

De sneeuwval ging echter gepaard met een bittere vrieskou, die de aarde bevroor, de lakens waaruit de geïmproviseerde tenten waren gemaakt in scherpe plooien veranderde, de lucht klaarde, het gewriemel van alle soorten schepsels deed stilvallen en de stank als rijp op de grond deed neerslaan. De mensen kropen tegen elkaar aan, ze kwamen uit verschillende tenten samen in de grootste, en daar waar iemand erin was geslaagd een vuurtje aan de praat te krijgen door een paar bevroren twijgen te ontdooien, verdrongen ze elkaar, zelfs als ze er slechts in slaagden van afstand het zieltogende vlammetje te bekijken.

En de stervenden waren zo uitgemergeld van de honger en zo geradbraakt door de kou, dat wanneer ze hen bij hun handen of voeten tussen de tenten door sleurden, hun armen of enkels knappend braken, als dorre takken.

Toen de sneeuw smolt, begon het formeren van de konvooien weer. De hemel raakte doorweekt en het begon te regenen. De wegen veranderden in modder. Ze bonden repen lakens om hun voeten, anders zouden hun blote voetzolen aan de aarde zijn vastgeplakt en zouden de mensen de kracht hebben ontbeerd om ze weer uit de blubber te trekken. Onder de druilerige regen die alle omtrekken vervaagde, nam de nieuwe tocht bijna een week in beslag. De doden konden niet geteld worden, want op deze nevelige weg, waar niemand iets kon zien behalve de blauwige damp van zijn eigen ademhaling, was het in de regen geweekte vlees van hen die vielen zo slap en klef als de kleiige leem. Ze werden onder de voet gelopen door degenen die achter hen kwamen en hun vlees werd vermengd, als in een zwart deeg, en bedekt met de modder van de wegen. En zelfs toen ze waren aangekomen, hield het niet op met regenen.

 

bab. de derde kring. Het veld van zwarte tenten strekte zich uit over een strook grond op enkele kilometers van het stadje, juist om te voorkomen dat de gedeporteerden toegang zouden hebben tot de plaats. Omdat de bodem zo kleiachtig was, was het met sneeuw vermengde water plassen beginnen te vormen, zodat alles in een zomp veranderde.

Ze waren er niet toe gekomen de onderweg achtergebleven doden te tellen, want ze konden het al niet bolwerken met alle gestorvenen in het kamp van de gedeporteerden. De mannen, voor zover die er nog waren, hadden zich in twee groepen georganiseerd. De ene belastte zich ermee de doden tot buiten het kamp te dragen en massagraven te delven. De doden waren moeilijker te dragen in de derde kring want doordat ze zo dor waren als rulle aarde en lichte botten hadden van de kou, namen ze water op en zwollen op, zodat hun doorweekte aderen knapten en ze zo rood werden als rauw vlees. Opgezwollen en moeilijk dubbel te vouwen, namen ze meer plaats in beslag en daarom moesten de kuilen, nog afgezien van het feit dat de aarde klef was, groter worden gemaakt.

De tweede groep mannen zwierf over de vlakte, zonder de stad dichter te naderen dan de vuilnisbelten en de rand van de achterbuurten, op zoek naar voedsel, dat het vaakst bestond uit dode dieren. Sommigen, die nog vlot te been waren, wierpen met stenen naar de kraaien of joegen op de honden die rondom het kamp zwierven en na het invallen van de nacht de haastig dichtgegooide graven openspitten, op zoek naar niet-rottend vlees.

Zo brak de tyfusepidemie uit. Hij trof allereerst de kinderen. Hij bedekte hun wangen met rode vlekken die vanwege de miserabele omstandigheden al gauw veranderden in bloedende wonden waarin bloed en koortszweet zich vermengden. Daarna sloeg hij ook over op hun moeders, die zich er niet van konden weerhouden hun van de koorts rillende kindertjes in hun armen te drukken. Alleen de winterkou verhinderde dat de besmetting iedereen trof. Maar de koude maakte ook dat degenen die ziek werden reddeloos verloren waren. Uit angst voor de ziekte bewaarden de soldaten de afstand en slechts zelden, zonder van hun paarden te komen, waagden ze zich tussen de tenten, om de mensen wat brood toe te werpen in de natte sneeuw. Niemand dacht er nog over de modder eraf te vegen, de geluksvogels die een homp brood hadden weten te bemachtigen, renden weg om deze te delen met de andere bewoners van hun tent of doken ineen met hun hoofd op hun borst, terwijl ze hun homp brood stevig vasthielden en zonder kauwen naar binnen werkten, om te voorkomen dat een ander zich erop zou werpen en het af zou pikken.

Nu en dan waagden vooral de vrouwen, die gek werden van medelijden met hun zieltogende kinderen, zich tot aan de rand van de nederzetting in de hoop om eten te kunnen bedelen of een veiliger onderdak en een schoon bed te vinden. Ze werden weggejaagd met stenen of stokslagen, wanneer ze niet gelijk werden neergeschoten.

De vrouw met wie ze op weg waren gegaan, werd ziek. Ze zat erbij als een hoopje ellende en het enige wat ze voor haar konden doen, was al het beddengoed dat ze bezaten om haar schouders leggen. Op een dag kwam de man van de familie Șeitanian terug met een gedode raaf, waar hij op had gejaagd vanaf het moment de vogel, te midden van zijn zwerm, was begonnen rond te cirkelen boven de stapels lijken. De man had een woeste schittering in zijn ogen, zijn ingevallen wangen waren bedekt met plukjes krullend haar, zijn kleren waren niet meer dan vodden en om te voorkomen dat ze zouden fladderen in de wind, had hij ze vastgebonden met een touw dat hij meermalen om zijn lichaam had gewikkeld, van zijn borst tot zijn middel. In plaats van schoenen droeg hij twee stroken aan elkaar geknoopte stof, en onder zijn voetzolen had hij een stuk plank gebonden. Daardoor liep hij hortend en slepend, waarbij hij af en toe zijn voeten moest optillen om over drempels heen te stappen. Om te jagen hoefde hij niet te rennen, daar zou hij ook niet de kracht toe hebben gehad, de kadavers hoefde je slechts op te rapen, en wat de honden en de raven betrof, die zwaar waren van het voer waarmee ze zich in het kamp ruimschoots konden verzadigen, volstond het om met vaardige hand een steen te werpen en vervolgens, met dezelfde steen, hun kop in te slaan. Of om hen met een snel gebaar de nek om te draaien. Wat Rupen Șeitanian dan ook gedaan had, de kop van de vogel was in een onnatuurlijke positie geknikt. Bij die aanblik drukte Hermine haar kinderen tegen zich aan en fluisterde verward: ‘Ur es, Asdvadz? Waar bent u, Heer?’ ‘God ligt op sterven, vrouw,’ zei de man. ‘Kijk, Zijn engelen zijn al gestorven.’ En hij wierp de zwarte vogel in het midden van de tent.

Met moeite slaagden ze erin, met vochtige spaanders, een verstikkend vuurtje te ontsteken en het vlees van de kaalgeplukte vogel te braden. Maar daar schoot de zieke vrouw niets mee op, wier ineenschrompelde maag geen voedsel meer verdroeg. Ze braakte het enige stukje uit dat ze weten door te slikken en omdat ze vervolgens niet meer kon stoppen met kokhalzen, stierf ze korte tijd later door verstikking. ‘Het is het teken van de zwarte engel,’ mompelde Hermine. ‘Het is een ander en nog vervloekter teken,’ zei Rupen, ‘als God zelfs zwarte engelen doodt.’ En hij wierp een blik op de loodgrauwe lucht, op de zompige aarde, op de uit het kamp opstijgende dampen, die hemel en aarde samenvoegden tot een begerige en moordende nevel. Ze hesen de vrouw op de muilezel, zodat ze er als een zadeltas overheen hing, en Rupen bracht haar naar de rand, waar de lichamen opzwollen en uitdijden, klef. Maar eerst kleedden ze haar uit en verdeelden de kleren tussen Sahags jongste zuster, om haar voor de kou te behouden, en de jonge vrouw uit Konya, om te voorkomen dat de bedoeïenen, als ze haar ontkleed zagen, naar haar zouden lusten.

Hoezeer de plaatselijke bevolking zich ook in acht nam, door de gedeporteerden die dichterbij probeerden te komen te verjagen, alsof ze honden waren, met alles wat hun maar voorhanden kwam, terwijl ze ‘Ermeni! Ermini!’ schreeuwden, zodat ook anderen tevoorschijn zouden komen om zoveel mogelijk stenen te laten neerregenen op die schepsels die aarzelend en met uitgestrekte handen naderden, hoezeer ze zich dus ook in acht namen, de tyfus verspreidde zich ook in de stad. Toen trommelden de Arabieren hun strijders op en deze wierpen zich op het kamp van de gedeporteerden, dat ze onder de hoeven van hun paarden vertrapten, terwijl ze moordden met het scherp van hun zwaarden of met de kogel, hen verjoegen met het plat van hun zwaarden of stokslagen en de tenten in brand staken. Zoals iedere keer keken de soldaten onverschillig toe, want ze ontvingen welwillend de hulp die, net als andere keren, de meutes strijders verschaften aan de honger, de dysenterie en de tyfus. De slachtpartij duurde de hele dag, en de strijders beloofden terug te zullen keren indien de gedeporteerden zich de volgende dag niet opnieuw in beweging zouden zetten, het maakte niet uit waarheen, als het maar zo ver mogelijk van hun huizen was.

Hoewel de instructies luidden dat het kamp in Al Bab in isolement diende te worden gehouden tot het aanbreken van de lente, gingen de konvooien, vanwege het ongenoegen van de plaatselijke bevolking, toch weer op weg. Het was 5 januari, eigenlijk wisten ze dat niet zeker, niemand had de tel van de dagen bijgehouden en omdat er geen kenmerken waren waardoor de dagen zich van elkaar onderscheidden, zoals bijvoorbeeld de zondagse kerkdienst, werd alleen het verstrijken van de jaargetijden opgemerkt, en dat bij benadering. De enige wat exacter te tellen viel, was het aantal doden, dat de Turkse soldaten bijhielden door met de bajonet een kerf te maken in de dichtstbijzijnde paal bij iedere plaats waar de lijken werden gedeponeerd. Maar ook deze tel werd kwijtgeraakt vanaf het moment dat, nu de tyfus genadeloos toesloeg, de doden met karrenladingen tegelijk werden aangevoerd en regelrecht in de kuil werden geworpen.

De komst van de kerst probeerden ze uit te rekenen uitgaande van de lengte van de nachten, maar omdat de hemel voortdurend bewolkt en loodgrijs was, leken de nachten langer dan ze in werkelijkheid waren. En het dodental liep op, want de stervenden gaven vooral in de loop van de nacht de geest. Maar omdat de volgende dag de eerste konvooien vertrokken en ze niet konden weten hoevelen het einde van de reis zouden halen, besloten de paar priesters, die zich louter door hun iets langere baarden nog van de anderen onderscheidden, dat het die nacht kerstavond zou zijn.

Degenen die nog een eindje kaars hadden, ontstaken het. Hermine zei: ‘Laat het licht schijnen.’ Ze brandden de hele kaars op, terwijl ze met hun vingers de hete was opveegden en over hun handpalmen uitspreidden. Eigenlijk hadden ze ook nog een stompje moeten bewaren voor de paasnacht. ‘Tegen die tijd,’ zei Rupen, terwijl hij zijn zolen omwikkelde, ‘zullen we allemaal dood zijn.’

 

meskene. de vierde kring. Om uit de buurt te blijven van Aleppo, waar wederom het risico op besmetting bestond, gezien de steeds vijandelijker houding van de lokale bevolking en op nadrukkelijk bevel van Djemal Pasja dat de gedeporteerden en hun konvooien verre dienden te worden gehouden van de spoorlijn, vermeed het konvooi de best begaanbare weg, via Aleppo en Sebil, en doorkruiste het de meest onherbergzame plaatsen, via Tefridje en Lale. Wie gezond en sterk was, zou de afstand van Al Bab naar Meskene in twee dagen hebben kunnen afleggen, als we ervan uitgaan dat hij een verkwikkende slaap had kunnen genieten in de karavanserais van Lale, zijn buik rond had kunnen eten en beschikte over buidels met water die door muildieren werden gedragen. De uit Al Bab vertrokken konvooien legden dezelfde afstand in ten minste tien dagen af, terwijl sommige zelfs pas na twee weken arriveerden.

Bij vertrek uit Al Bab was het weer begonnen te sneeuwen. Aangezien ze niet de hoofdweg aanhielden, via Aleppo, en de sneeuw de hele uitgestrektheid bedekte, sloegen de konvooien vaak de verkeerde richting in en na enig gepieker stuurden de soldaten ze dan weer op de juiste weg door hen de goede richting op te duwen met de snuit van hun paard. Het was ook niet moeilijk je te vergissen, want de mensen waaruit de konvooien bestonden, zelfs zij met het grootste uithoudingsvermogen, die vooraan liepen, vol in de wind, sjokten voort met hun blikken omlaag gericht en richtten deze maar zelden op, maar niet naar de weg – die ze als oneindig beschouwden – maar naar de hemel, op zoek naar een flinter zonlicht, naar een teken dat het zou gaan stoppen met sneeuwen of naar gewoonweg een teken. Ze hadden zich gewikkeld in alle lappen en lakens die ze nog bezaten en die ze met touwen om hun lichaam hadden gebonden, tegen de wind. De dikste dekens hadden ze voor hun voeten bewaard, want ze hadden er een soort overschoenen van vervaardigd die ze in olie doopten, als ze die nog over hadden, of in de oliekuilen, om te voorkomen dat ze doorweekt zouden raken van de sneeuw. Het konvooi was compact op weg gegaan, later, naarmate de vermoeidheid toesloeg, strekte het zich echter tot over bijna een kilometer uit. De soldaten beperkten zich ertoe hen voort te duwen, zonder hen nog aan te sporen voort te maken, degenen die met de zweep of de knuppel werden opgejut, vielen op hun knieën neer in plaats van hun pas te versnellen. Omdat dit als een verzetsdaad werd beschouwd, doodden ze hen door, om kogels te besparen, met een knuppel tegen hun achterhoofd te slaan. Zij stortten dan bewusteloos neer in de sneeuw, wat gelijkstond aan de dood. Later zagen ze daarvan af en lieten toe dat ieder zich voortsleepte zoveel zijn krachten het toelieten. Sommigen, aan het eind van hun krachten, liepen steeds langzamer en zakten af tot het achterste gedeelte van het konvooi. Steeds moeizamer trokken ze hun voeten uit de sneeuwhopen en uiteindelijk bleven ze roerloos staan, rechtop in de sneeuw, hun benen zo verkild dat ze hun knieën niet meer konden buigen. Zo stierven ze, staand, hun armen uitgespreid, zoals de wind ze had neergezet, als verdorde zwarte bomen. De karren die de gouverneur van Aleppo achter hen aan had gestuurd, bezorgd als hij was om het grote aantal doden, die, als ze langs de kant van de weg zouden blijven liggen, de besmetting tot in de stad konden verspreiden, troffen hen soms, enkele dagen later, nog altijd staande aan, hun bevroren armen krakend in de wind. Aanvankelijk joeg dit de doodgravers angst aan. Daarna trokken ze hen gewoon uit de sneeuw, als boomstronken met rotte wortels, en dan zeiden ze tegen elkaar dat de aarde verzadigd was van al die doden en besloten had om hen recht overeind te laten sterven.

Ze sliepen in verlaten karavanserais, waar ze soms twee dagen achter elkaar bleven om een beetje op krachten te komen. Vanuit Aleppo, samen met de karren voor de doden, waren ook enkele zakken met bulgur meegekomen, een soort ongepeld graan, waarvan ze zoveel kregen toebedeeld als in hun twee samengevoegde handpalmen paste. In Tefridje en later in Lale zagen ze vanuit de verte een menigte grote tenten, aan palen bevestigd, met metalen daken, waarvan sommige zelfs aanbouwsels van baksteen hadden, en ze waren blij beschutting tegen de kou te hebben gevonden. Ze mochten er echter niet dichterbij komen dan enkele tientallen meters. Om te voorkomen dat de weg naar Meskene bezaaid zou liggen met doden, hadden de autoriteiten besloten dat er in de vilajet Aleppo speciale nederzettingen zouden worden ingericht om de stervenden van de konvooien in onder te brengen. Ze ontvingen daar geen enkele vorm van verzorging meer, ze hoefden alleen met vijftien-twintig per tent languit te gaan liggen, waarna ze werden achtergelaten om te sterven. Ze verkeerden in een zo erbarmelijke staat, dat ze niet eens meer de kracht hadden om zich op hun andere zijde te draaien of om zich te verweren tegen de zwermen insecten. Ze stierven in de positie waarin ze waren achtergelaten, dikwijls met opengesperde ogen, want hun oogleden waren te verschrompeld en verdroogd om zich nog over de oogbollen te sluiten. Daarom werden deze kampen bewaakt door niet meer dan enkele bewakers zonder pistolen, slechts bewapend met knuppels en stenen tegen de honden, hyena’s en kraaien, zonder zich echter al te ijverig te betonen.

De vreugde dat ze dergelijke plaatsen waren genaderd, die hun leken te zijn ingericht tegen de samengestelde aanslag van wind, regen en sneeuw, maakte eerst plaats voor verwondering en vervolgens voor afgrijzen toen het konvooi in de nabijheid van de tenten werd tegengehouden en ze er niet dichter bij in de buurt mochten komen. Bij alle twee van dergelijke verblijfplaatsen werd het konvooi opgewacht door een troep soldaten met aan het hoofd een hoofdman en een in het zwart geklede man die de anderen aanspraken als doktor efendi. Deze gaf opdracht dat alle leden van het konvooi zich in een rij moesten opstellen, op een pas afstand van elkaar, om te voorkomen dat ze op elkaar konden steunen. Sommigen stortten dadelijk ten aarde, zodat ze de taak van doktor efendi verlichtten. Want hij was niet gekomen om zich te bekommeren om de levenden, maar om de doden. Om niet het risico te lopen dat er zoveel lijken verspreid langs de weg lagen, vooral omdat het in Aleppo wemelde van de consulaten die klaar waren om depêches te verzenden naar de keizerlijke hoven in Europa, wees doktor efendi de stervenden aan, die meteen werden vastgegrepen, naar de tenten gesleept en geslagen indien het leven in hen nog op enige wijze verzet bood. Doktor efendi woog ieder van hen, hief de vinger op naar elk van hen die exanthemen had, reeds beefde in al zijn gewrichten, buitengewoon bleke wangen had en verzonken ogen of wiens mondhoeken waren bedekt met een groenig-rossig schuim dat afkomstig was van het fluiten van de weggeteerde longen. In ieder van die twee kampen der stervenden nam het konvooi met ongeveer een tiende in omvang af. Van allen die uit Al Bab waren vertrokken, zou een derde Meskene niet bereiken. Velen bliezen hun laatste adem uit in een van de twee pleisterplaatsen voor de stervenden, de lichamen van anderen bleven langs de kant van de weg liggen, waar hun vlees tegelijk met de sneeuw zou smelten en hun botten in morenen vermalen zouden worden.

In Meskene, aan de grens van de vierde kring, stuitten de konvooien weer op de Eufraat, het beweeglijke graf voor duizenden gedeporteerden. Waar de rivier afboog, voorbij Meskene, verzamelden zich de lijken uit het noorden, die de waterstroom nog niet naar omlaag had getrokken of de vissen nog niet hadden verorberd. De lichamen werden met bootshaken op de oever getrokken. Omdat de grond bevroren was en het aantal kadavers te groot was om te kunnen begraven, werden ze overgoten met petroleum en in brand gestoken. De zwarte rook was te zien vanuit het kamp in Meskene, zodat de gedeporteerden wisten waarom de rook zo dik was, waarom de brandstapel zo vochtig was dat hij slechts smeulend kon branden, en wat er in de rivier dreef, en desalniettemin schuifelden ze naar de oever, waar ze zich op hun knieën lieten zakken om gulzig van het naar loog smakende water te drinken.

Sommigen van hen hadden opnieuw hun eigen tenten opgetrokken, anderen hadden zich geïnstalleerd in verlaten tenten. Zoals iedere keer nadat er een nieuw konvooi was gearriveerd, steeg het dodencijfer, waarna het zich weer stabiliseerde op het gebruikelijke aantal van vijf-, zeshonderd per dag. De koude was ietwat afgenomen, vooral overdag, maar was ’s nachts nog altijd even bijtend. Het was gestopt met regenen en sneeuwen, en regen en sneeuw zouden steeds zeldzamer worden naarmate ze dichter in de buurt van de woestijn kwamen. Ook de lucht werd wat droger, waardoor de ademhaling van de stervenden nog piepender werd.

Het kamp werd streng bewaakt. De weinigen die erin slaagden de wachters te omzeilen en werden gepakt op de vlakte aan de kant van de stad, werden urenlang tot aan hun nek ondergedompeld in het koude water van de rivier, waarna ze gedwongen werden zich op de oever te drogen in de vlagerige wind. Als ze dat overleefden, werden ze naar de tenten gestuurd, waar ze korte tijd later, bibberend en ijlend, het loodje legden.

Plotseling liet de muilezel zich op zijn knieën en weigerde te drinken. Het was een goed dier geweest. Rupen streelde hem lange tijd, vol genegenheid, over zijn voorhoofd, vervolgens sloeg hij hem enkele malen met een steen op de plaats waar hij hem geaaid had. De kinderen huilden om hem, maar veegden hun tranen af toen ze de zoete smaak van zijn vlees proefden, dat niet draderig was zoals dat van de gedode raven, en evenmin bitter, als dat van de krengen. Ze hadden enkele dagen genoeg te eten en kwamen weer een beetje op krachten. Ze hadden ook ieder een handje bulgur gekregen. Toen ze vragende blikken ophieven vanwege dit gebaar van barmhartigheid, vernamen ze de reden ervan van Kior Hussein, dezelfde die de vluchtelingen strafte door hen onder te dompelen in het ijskoude water: ‘Ik wil niet dat jullie hier doodgaan. We hebben al genoeg aan ons hoofd. De aarde is kleverig, moeilijk om in te graven. Doodgaan doen jullie toch. Maar jullie moeten te voet hiervandaan naar de woestijn. Daar hoeft niemand nog moeite voor jullie te doen. De wind en het zand zullen jullie daar begraven.’

Ze begrepen toen dat degenen die in hun handpalm een kopje korrels hadden ontvangen, verder moesten. Ze mochten naar de rivier gaan om van het loogachtige water te drinken, dat, net als het water van de Jordaan, de smaak van mensenvlees zou krijgen. De bulgur was een vergankelijk medicijn voor hun door dysenterie uitgewrongen ingewanden. En het water deed de zonder kauwen naar binnen gewerkte korrels in hun maag opzwellen, wat hun een pijnlijk gevoel van honger en verzadiging tegelijkertijd bezorgde. Want hun lichaam vroeg om meer energie, maar hun maag, ineengekrompen van voedselgebrek, zwol op, zodat de wanden ervan, dun geworden van het malen in de leegte, op knappen stonden.

Sahag was afgevallen, zijn enkels waren nauwelijks dikker dan zijn armen. Zijn moeder verdeelde het weinige dat over was gebleven in de zakjes meel en suiker, die ze op het station van Konya had gekocht van een stel stedelingen die, omdat ze wisten waarheen ze op weg waren en er daarom de prijs van de wanhoop bovenop hadden gedaan, er drie keer zoveel voor hadden willen hebben als ze waard waren.

Ze aten ’s avonds, om te kunnen slapen, want Hermine had gemerkt dat de honger in de nacht het moeilijkst te verdragen was, omdat het lichaam dan meer op zichzelf is teruggeworpen. Aanvankelijk had ze het eten verdeeld onder hen allen, vervolgens aan zichzelf minder en aan de kinderen meer. In Meskene gaf ze helemaal niets meer aan de oude vrouw, die op een avond een groot kruis sloeg, zich omdraaide met haar gezicht naar de wand en ineengedoken stierf. Net zo hesen ze haar de volgende ochtend in de kar met de doden en net zo duwden ze haar in haar graf. Omdat niemand zich erom bekommerde de doden te wassen, niemand de wake over hen hield en niemand hen met de handen kruiselings over de borst in hun doodskist legde, had het ook geen nut om hun gewrichten te omwikkelen met in warm water gedrenkte lappen, zodat ze hun gebogen armen of benen konden strekken. Ze hadden niets voorhanden, en zelfs als ze de moeite hadden genomen het bevroren en verdroogde kraakbeen van de gewrichten zacht te maken, was dat vergeefse moeite geweest, want in de massagraven werden de lichamen niet een voor een neergelegd, maar eerder op een hoop gegooid. ‘We kunnen haar beter tot vanmiddag hier houden,’ zei Hermine. ‘Tegen die tijd zijn de grafkuilen vol en dan leggen ze haar bovenop…’ Rupen antwoordde niet meer, maar beperkte zich tot een schouderophalen. Hij sprak geen woord en trok zijn schouders op, en de vrouw wist niet eens meer of hij dat deed bij wijze van antwoord of dat hij zijn steeds meer gebogen rug een beetje wilde losmaken.

De oude vrouw had het geëigende moment gekozen om dood te gaan. De volgende dag werd hun hoekje van het kamp omsingeld door soldaten en werden ze weer op weg gestuurd. Nu de muilezel dood was, had de oude vrouw toch niet meer verder kunnen reizen en zou ze naar de karren met stervenden zijn gesleurd die werden teruggebracht naar Lale, waar het enige dat in overvloed aanwezig was de zwermen insecten waren en het geduld waarmee de stervenden, uitgestrekt naast elkaar, de tijd werd gegund om dood te gaan.

 

dipsi. de vijfde kring. Normaal gesproken nam de reis van Meskene naar Dipsi slechts een goede vijf uur in beslag. Het konvooi had er echter meer dan twee dagen voor nodig. Voor het eerst kwamen hun voetstappen in aanraking met de zanderige streken die de nadering van de woestijn verkondigden.

De karren die de doden en de stervenden verzamelden vergezelden hen niet meer. Af en toe wachtten de doodgravers die de gestorvenen verzamelden totdat de wind het zand had doen opwaaien en de hopen naakte en zwart uitgeslagen lichamen had bedekt. De twee reisdagen verliepen rustig. De lucht was opgeklaard en de wind was gaan liggen. Lijken lagen langs de kant van de weg, een groot deel ervan aangevreten door dieren. Ertussen, stervenden, vrouwen en mannen, aan het einde van hun krachten door vermoeidheid, honger of dorst, kinderen die niet begrepen wat hen overkwam en geleund tegen rotsen of dorre boomstronken op hun dood wachtten. Deze inspanningen om overeind te blijven zitten waren hun de laatste poging zich te verzetten tegen de dood, want als ze zich uitstrekten langs de kant van de weg, werden ze door het zand bedekt en stikten ze.

Het kamp, dat uit enkele duizenden tenten bestond, lag in een vallei aan de rechteroever van de Eufraat. Zij die het hadden opgetrokken, gingen ervan uit dat, omdat het was ingesloten tussen de heuvels, de bestendige geuren van de dood en de scherpe stank van de dysenterie en de tyfus zich moeilijker zouden kunnen verspreiden. De afstand tussen Meskene en Dipsi was korter dan die tussen Al Bab en Meskene, daarom had de gouverneur van Aleppo in de pleisterplaatsen geen asielen voor de stervenden meer ingericht, die eufemistisch hastahane waren gedoopt, dat wil zeggen: ziekenhuis. Daarentegen, gezien de mate van uitputting waarin de konvooien arriveerden, na een reis van twee dagen door zand en vervolgens over smalle bergpassen, werd het hele kamp in Dipsi Hastahane genoemd. En het verdiende die naam, aangezien hier, gedurende de enkele maanden dat het als concentratiekamp heeft gefungeerd, meer dan dertigduizend mensen om het leven zijn gekomen.

Het zogenaamde ziekenhuis was volkomen verstoken van medicijnen en had geen ander verplegend personeel dan de Armeense artsen onder de gedeporteerden die het overleefd hadden en die niets anders konden doen dan de ziekte benoemen, wanneer deze niet evident was, en het aantal dagen schatten tot aan het overlijden. Het kamp van Dipsi was een van de diepste treden in de initiatie voor de dood, niet zozeer vanwege het grote aantal mensen dat hier is gestorven, als wel vanwege het veel grotere aantal mensen dat, omdat ze hier een besmetting hadden opgelopen, later zou komen te overlijden, onderweg naar Deir ez-Zor, de plaats waar ook het zevende gewaad van de dood afviel.

Het was inmiddels maart. Het was gestopt met regenen. Af en toe, tegen de avond of wanneer de dag aanbrak, betrok een wolkenveld de lucht. De lente zou ongemerkt zijn gekomen voor de gedeporteerden, die steeds minder vaak om zich heen keken en dan louter angstig, aangetrokken door hoefgetrappel of door de vuursteengeweren en de kreten van de bedoeïenen. Daarom blikten ze voornamelijk omlaag. En zo werden ze de lente gewaar. In de omgeving van Abuhahar, Hamam, Sebka en Deir ez-Zor, waar bomen een steeds zeldzamer verschijnsel waren, kwam het voorjaar onverwacht, wanneer plukjes gras opschoten, met dunne en lange sprieten. Aanvankelijk wisten ze niet hoe ze die moesten eten, hun tandvlees bloedde door de scherpe randen en ze verslikten zich in de draderige vezels. Daarna lieten de handigsten en geduldigsten hun zien hoe ze gras moesten eten. De sprieten moesten stevig in de handpalm worden geklemd, eroverheen werd een beetje zout gestrooid, zodat de grasprop enigszins vochtig werd. Deze werd niet in één keer weggekauwd, maar zacht gemaakt met speeksel, zoveel je kon vergaren in je droge mond, en zo moest je hem enkele minuten laten zitten, totdat je uitgehongerde mond er een soort pulp van had gemaakt, als een afkooksel. Toen er geen gras meer te vinden was, trok Ruben de wortels uit en spoelde die in het water van de Eufraat. Hij sneed ze in kleine stukjes en wanneer je die in het water liet wellen, waren ze enkele uren later eetbaar.

Het regende niet, maar evenmin was het helder. De nabijheid van de woestijn deed een soort nevel opstijgen die door het door de wind opgeworpen stof op zijn plaats werd gehouden. Het aantal honden en wolven was afgenomen, in hun plaats waren er hyena’s verschenen. Deze waren moeilijker te vangen, want ze waren sneller en beter gewend aan de droogte van de woestijn. En hun kadavers waren onvindbaar, want wanneer hyena’s hun einde voelden naderen, verdwenen ze in de woestenij waaruit ze gekomen waren. Wie wel waren overbleven waren de raven, moeilijk te raken, want in de paarlemoeren nevel waren ze onmogelijk te onderscheiden van de naakte lucht, waar geen vogels doorheen kwamen, en ook niet van elkaar, de witte engelen van de zwarte engelen.

Omdat er steeds minder gras was vanwege de uitwasemingen, maar ook door de paarden van de Turkse soldaten die rondom het kamp de wacht hielden, hadden Hermine en Ruben, na een hartverscheurend gepieker en gepeins, besloten om Sahag te laten toetreden tot de koeriers.

Mijn grootouders, Garabet Vosganian en Setrak Melichian, zongen, in hun momenten van eenzaamheid, geen liederen van de deportatie. En dat deed geen een van de bejaarde Armeniërs van mijn kinderjaren. De gedichten die wij als kind lazen tijdens onze bijeenkomsten, de liederen waar we naar luisterden, verhaalden hoofdzakelijk van de fedayin die in de bergen hadden gevochten, en niet van de slachtpartijen en de deportaties. In stilte waren de konvooien de treden van de initiatie voor de dood afgedaald. Misschien omdat het inwendige leed te sterk was om nog iets tot de buitenwereld te laten doordringen. Misschien omdat zij niet dachten dat erna nog iets zou zijn.

Maar omdat er niets tot de buitenwereld doordrong, schreven de gedeporteerden voor zichzelf. De manuscripten uit de ruimte van de zeven kringen des doods die bewaard zijn gebleven, waren geschreven langs de wegen van de deportatie, overal waar een stukje hout te vinden was, een kilometerpaal, een boomstronk met zachte schors, een muur. Lange tijd, totdat de regens ze wegwasten en de winden ze uitveegden, zijn de in hout gekerfde of in steen gekraste Armeense letters en woorden blijven bestaan. Degenen die langskwamen lieten berichten achter voor hen die later kwamen. En, als er nog plaats was, voegden dezen er hun eigen woorden eraan toe. In de deportatiekampen deden vellen papier de ronde die de mensen aan elkaar doorgaven. Ze waren niet ondertekend, uit angst voor represailles, en evenmin gedateerd. Dat was niet nodig. De werkelijkheid, met uitzondering van de sneeuw die tot blubber verviel en de modder die verdroogde tot wervelend stof, was onveranderlijk.

De nieuwsberichten beschreven de werkelijkheden van iedere kring des doods. Degenen die deze berichten verstuurden, waren de koeriers. Deze werden gekozen uit de jonge jongens, die snelvoetiger waren en kans zagen ongezien weg te glippen. En om de kracht te hebben snel de reisroutes af te leggen, kregen ze leeftocht voor onderweg mee. Sommigen keerden niet meer terug, ofwel ze sloten zich aan bij de konvooien die verder vooruit waren gegaan, zodat ze de weg naar hun dood afsneden, ofwel ze werden onderweg omgebracht. Daarom waren de koeriers altijd vrijwilligers en werden ze gekozen uit de wezen, want slechts weinig ouders kozen ervoor op deze wijze van hun kinderen gescheiden te worden. Degene die besliste, aan dit uiteinde van de konvooien, heette Krikor Ankut. De verantwoordelijke man aan het andere uiteinde, in Deir ez-Zor, was Levon Șașian, tot op het moment dat hij ten dood werd gebracht, na onvoorstelbare martelingen.

Krikor Ankut mat de jongen, gaf hem een duw door met zijn handpalm tegen zijn borst te slaan, maar Sahag vond de kracht om zijn evenwicht te bewaren en viel niet om. Toen besloot de man dat de jongeling geschikt was. De reis naar Deir ez-Zor zou ongeveer zes dagen in beslag hebben genomen, want de koeriers reisden vooral ’s nachts, terwijl ze zich overdag verborgen hielden in de uitgeholde oevers, de tocht heen en terug duurde ruim twee weken. Sahag kreeg de naam van degene die, in het kamp voor gedeporteerden in Raqqa, hem van leeftocht zou voorzien voor de rest van de reis naar Deir ez-Zor. Rupen en Hermine bewaarden afstand en keken toe, zonder te weten of ze toestemming hadden verleend voor iets dat ten gunste of ten nadele van hun zoon zou uitpakken. Iemand hield de wacht buiten de tent, een ander bracht een kan met water. Zorgvuldig waste Hermine Sahags rug, waarna de jongen zich met zijn gezicht omlaag en gespreide armen uitstrekte. Krikor Ankut doopte zijn pen in de inkt en schreef langzaam, op de huid van de jongen, zodat hij diens rug tot aan zijn stuitje bedekte met grote letters, zo gestileerd mogelijk om de lettertekens te vereenvoudigen en zo snel mogelijk klaar te zijn, alsmede om zo weinig mogelijk krassen te maken op de huid van de jongeling, die zonder een kik te geven de pennenstreken verdroeg. Het feit dat de huid strak gespannen was over de botten maakte de klus eenvoudiger. De jongen bleef een tijdlang stil liggen, zodat de verf kon drogen. Daarna mengden ze aarde in de kom met water, om een dunne modder te maken waarmee ze zijn schouders bedekten. Aldus, ingesmeerd met modder, was hij slechts een beetje smeriger dan daarvoor. Ze vroegen hem of hij kon zwemmen, de jongen antwoordde dat hij was opgegroeid aan de oever van de Bosporus. Vervolgens wees Krikor hem met zijn vinger in het stof de weg naar Deir ez-Zor: ‘Je reist ’s nachts en houdt de oever van de Eufraat aan, verwijder je daar niet van. Als je ziet dat je niet meer kunt ontkomen, spring je in het water en houdt het daar zo lang mogelijk vol, totdat de verf zacht wordt en door het water wordt afgespoeld. Zij mogen niet te weten komen wat daar geschreven staat. Dat geldt ook voor wanneer je terugkomt. Vooral wanneer je terugkomt.’

Hermine nam, namens de jongen, de leeftocht voor onderweg in ontvangst. Ze hield een handje graankorrels en een handje rijstkorrels achter voor zijn jongere zusje, toen omhelsde ze hem en hij verdween in de nacht. Ze namen geen afscheid. Omdat ze zoveel dood rondom zich hadden gezien en deze accepteerden als een onontkoombare werkelijkheid, hadden ze allang afscheid van elkaar genomen.

Sahag deed precies wat er van hem verlangd werd. Hij was zuinig op zijn eten, deed het ongeveer drie dagen zonder, maar stopte niet in Raqqa, uit angst dat hij daar niet meer weg zou weten te komen. Eenmaal in Deir ez-Zor aangekomen ging hij op zoek naar Levon Șașian. Deze veegde de modder af en las de boodschap van Krikor Ankut, daarna boenden ze hem weer schoon om andere letters aan te brengen, waarna ze zijn rug bedekte met een laagje modder gemengd met as. Bij terugkeer gaf Krikor Ankut hem eerst een nap met water en een handvol bulgur. Hij droeg de vrouwen op hem schoon te maken en toen hij begon te lezen, verzocht hij alleen te worden gelaten. Hij wiste met zijn hand de boodschap op de schouders van de jongen af, omhelsde hem en zei tegen hem: ‘Je mag aan niemand vertellen wat je in Deir ez-Zor hebt gezien. De meesten zullen je niet geloven en dan schiet jij er niets mee op. En degenen die je toch zullen geloven, schieten daar zelf niets mee op. Ga nu terug naar je ouders.’ Toen ze hem zag, nam Hermine hem in haar armen en huilde, niet zozeer van vreugde dat ze hem weer naast hen voelde, maar uit medelijden.

Halverwege de maand april werd het kamp in Dipsi opgedoekt en vertrokken de laatste konvooien verder langs het lint van de Eufraat. Het kamp werd omsingeld door soldaten en door bereden gendarmes, die tussen de tenten door stormden, klappen uitdelend met knuppels en zwepen, de onderkomens omver stootten en de mensen naar de rand dreven, waar de konvooien werden gevormd. Toen allen die zich nog op de been wisten te houden en de paarden konden bijhouden tussen de tenten tevoorschijn waren gekomen, waarbij ze gedwongen waren de stervenden achter te laten, werd het teken voor vertrek gegeven. Toen ze, na ongeveer een uur lopen in de richting van de heuvels, hun hoofd omdraaiden naar het kamp-ziekenhuis van Dipsi, zagen een dikke rook omhoogdwarrelen. De tenten waren overgoten met benzine en vervolgens in brand gestoken. Uit de kleur van de rook en uit de vorm van de rookpluimen begrepen dat samen met het materiaal van de tenten ook mensenlichamen werden verbrand, droog of nog vochtig, zieltogend, door elkaar.

 

raqqa. de zesde kring. De tocht nam meer dan een week in beslag. Overdag was het smoorheet, maar de nachten waren uitzonderlijk kil gebleven. De mensen liepen steeds langzamer, wankelend. De wezenloze rijen, die zich niets aantrokken van de aansporingen en de zweepslagen van de bewakers te paard, liepen tenminste niet langer het gevaar door gewapende bendes te worden overvallen, want er viel niets meer te roven. Alleen op de pleisterplaatsen kwamen er Arabieren naderbij om, tegen betaling in zakken graan, meisjes te kopen. Het konvooi hield de rechteroever van de rivier aan en bereikte ten slotte Sebka, het kamp op de oever tegenover Raqqa, vanwaar de stad te zien was als een raadselachtig en verboden oord. Het water van de Eufraat slaagde erin de dorst van de gedeporteerden te lessen. Maar er was steeds minder kans om iets te eten te vinden. Af en toe deelden de gendarmes, door ze neer te smijten vanaf hun galopperende paarden, zakken met levensmiddelen uit die waren gestuurd door buitenlandse consulaten en nederzettingen van christenen. Omdat ze op een hoop werden geworpen, werd een groot deel ervan verspild. De mensen trokken aan de zakken met meel of suiker, zodat het poeder verloren ging tussen hun klauwende nagels. Andere hulpgoederen, zoals korrels cichorei of rijst, konden niet worden gegeten omdat ze daar de tanden niet voor hadden. De mensen slikte ze zonder kauwen door, maar hun maag kon ze niet verteren, ofwel omdat die daar niet langer aan gewend was, ofwel omdat hij, vanwege de dysenterie, niet meer de tijd kreeg om dat te doen. Rupen ging niet langer jagen, honden waren er steeds minder en de wolven liepen rond in roedels. Het was dikwijls gebeurd dat ze zich op degenen die het vuilnis doorzochten stortten en die verslonden. Hij belastte zich samen met de anderen met het verzamelen van de doden. Hij nam deel aan het delven van de gemeenschappelijke graven, een veel gemakkelijker taak nu hij niet langer met zijn houweel de harde of kleverige aarde hoefde los te wrikken, maar het volstond om het zand met de spade weg te scheppen, alsof hij de duinen verplaatste. Maar niettemin een zwaardere taak als we meetellen dat de kuilen veel dieper dienden te zijn, anders zou het zand waarmee de graven waren bedekt door de wind van her naar der worden geblazen, als losse deksels, zodat de doden bloot kwamen te liggen.

Aan het hoofdeinde van de massagraven zei niemand een gebed. Daarin werden hoofdzakelijk de nieuwe doden begraven. Konvooien die naar afgelegen en gemakkelijk af te grendelen streken werden geleid om daar afgeslacht te worden, het inrichten van concentratiekampen en de dood door de kogel, de hongerdood, het onderdompelen in ijskoud water of het levend verbranden van de stervenden – al deze methodes die zijn ingezet om de Armeniërs om te brengen langs de wegen van Anatolië, van Constantinopel tot Deir ez-Zor en Mosul, zijn later door de nazi’s aangewend tegen de Joden. Alleen droegen in de nazikampen de gedetineerden nummers, en deze macabere telling verhoogde de gruwel van de tegen het Joodse volk gepleegde misdaden. De doden die resulteerden na de inspanningen om het Armeense volk uit te roeien zijn niet talrijker, indien er tussen misdaden van een dergelijke omvang zulke vergelijkingen kunnen worden gemaakt, maar ze zijn meer ongeteld. De namen die we kennen zijn vooral die van de beulen, gouverneurs, kampcommandanten, pasja’s, bei’s, aga’s en hoofdmannen. De slachtoffers dragen zelden namen. Nimmer is de dood, door kring voor kring zijn gewaden af te werpen, dichter tot zijn kern doorgedrongen, nimmer is de dood meer ongenoemd geweest.

Er zijn nog geen tradities verzonnen wat betreft de inrichting van massagraven. Op welke wijze de kuil dient te worden gegraven, hoe de doden moeten worden neergelegd, of de mannen onderin moeten, in het midden de vrouwen en de kinderen bovenop, hoe ze worden gewassen, hoe ze gekleed moeten zijn, wat voor gebeden de priester zegt en over wat voor rust in het hiernamaals hij spreekt, wat voor kruis er wordt geplaatst, hoeveel armen dat kruis zou dienen te hebben en wat erop geschreven staat. Niets van dat alles. Ieder massagraf heeft zijn eigen wetten, en het enige gemeenschappelijke kenmerk van massagraven is de haast waarmee ze zijn gemaakt. Hetgeen de notie van ingesleten gebruiken ondergraaft, want er bestaat geen traditie van de haast.

Graven krijgen een naam en worden versierd opdat degenen die erin begraven liggen niet helemaal zullen worden vergeten. Massagraven zijn gemaakt opdat de daarin geworpen doden zo snel mogelijk worden vergeten. Massagraven zijn het meest schuldige onderdeel van de geschiedenis.

Vanuit deze kern van de ongenoemde dood heb ik zeven kringen getekend, met het middelpunt in Deir ez-Zor. In de ruimte die erdoor bedekt wordt, als we bedenken dat de wijdste omtrek door Al Mamoura, Diyarbakir en Mosul loopt, zijn meer dan een miljoen mensen omgekomen, ongeveer twee derde van alle doden van de Armeense volkenmoord. We weten dat zij daar geweest zijn en dat van hen die de kringen des doods zijn binnengetreden, van hen die niet tot de Islam zijn bekeerd, als slaaf zijn verkocht of zijn afgestaan voor de harems, bijna niemand het er levend af heeft gebracht. Iedereen kon overal zijn dood vinden. Er bestaat geen Armeense familie op deze wereld die niet iemand heeft gehad die is verdwenen, als in een draaikolk, in de kringen des doods. Daarom kun je op de rand van ieder massagraf bidden met de gedachte dat daar iemand ligt die tot jouw familie heeft behoord.

Rupen wist dat hij iets goeds deed. De dood was een ontsnapping aan de vernederende situatie van de levenden, en de massagraven waren een ontsnapping aan de gênante situatie van de doden. Maar er was nog een reden waarom Krikor Ankut samen met de sterke mannen had besloten om de doden zo haastig mogelijk uit de tenten te halen en massagraven te delven. Enkele dagen daarvoor hadden ze, vanonder een tent waarin een talrijk gezin woonde, een dode zonder gelaat tevoorschijn gehaald. Ze stonden lange tijd naar het lijk met de weggevreten wangen te kijken, alsof de ratten hun tanden in hem hadden gezet. Maar in het kamp waren geen holen, dus bestonden er ook geen ratten. Ze hadden het allemaal begrepen, maar geen van hen zei een woord, het was niet nodig om geheimhouding te zweren, want ze voelden aan dat niemand zoiets gruwelijks zou kunnen doorvertellen. Toen dit soort tekenen zich vermeerderden, hadden de mannen besloten om zelf iedere ochtend en avond op onderzoek uit te gaan, zodat geen lijk te lang onder de tentdaken zou blijven liggen.

Vanuit Aleppo werden er nieuwe garnizoenen naar Raqqa en Sebka gezonden. De soldaten en gendarmes bewaarden de afstand tot het kamp. De nederzetting was niet moeilijk te verdedigen. De noordkant ervan werd gevormd door de rivieroever, en zelfs voor een man die gezond was van lijf en leden, was het moeilijk de Eufraat over te steken. Links en rechts strekten zich de vlakten uit in de weidsheid waarvan je je niet kon verbergen, en in het zuiden de woestijn. En inderdaad, met uitzondering van de koeriertjes slaagden slechts weinigen erin te vluchten om vervolgens op te gaan in de bonte menigten van de jaarmarkten in Raqqa en vandaan de omgekeerde richting te nemen die de konvooien volgden, naar Al Bab en Al Mamoura, of verder naar het noorden, naar Urfa.

De soldaten bewaakten echter niet alleen de mensen. Ze bewaakten ook de wilde dieren en zelfs de vogels. Er heerste bij de inwoners van Raqqa en bij de bedoeïenenstammen grote angst voor de besmettelijke ziekten die rondwaarden in de konvooien van gedeporteerden. Daarom had de gouverneur van Aleppo het verboden dat doodgravers van buiten de konvooien in de buurt van het kamp zouden komen, en de karren die naar het kamp werden gestuurd werden afgestaan aan de gedeporteerden. En uiteindelijk, voor zover de gedeporteerden niet zelf de paarden hadden gedood om ze op te eten, werden deze neergeschoten om te voorkomen dat ze een van de ziekten zouden meenemen die, omdat ze zich zonder weerstand hadden verspreid, waren verergerd en ongeneeslijk waren geworden.

Zoals ze daar naar de konvooien stonden te kijken en onderwijl hun laarzen poetsten, hun paarden roskamden of hun wapens schoonmaakten, zagen de soldaten er in hun nieuwe uniformen uit of ze zich opmaakten voor een parade. De gezichten van de gedeporteerden zagen ze niet, ofwel omdat die ver weg waren, oftewel omdat, wanneer ze bij hen in de buurt kwamen om hun hulpgoederen toe te werpen, ze dat al galopperend deden, ofwel omdat dit hoe dan ook van geen enkel belang was.

Dat gevoel was overigens wederzijds. Voor de gedeporteerden hadden de soldaten een en hetzelfde gelaat, terwijl voor de soldaten de gedetineerden totaal van een gelaat en zelfs van menselijke kenmerken verstoken waren, aangezien ze bevel hadden gekregen om zonder mededogen iedereen op de korrel te nemen die het waagde de zesde kring te verlaten, mens, beest of vogel.

Terwijl de gedeporteerden zich steeds uitgeputter voelden na de maandenlange ontberingen en honger, waren de soldaten steeds uitgeruster, want het was steeds gemakkelijker om de gedeporteerden te bewaken en er werden steeds vaker rustpauzes genomen. En wat de tegenstelling nog duidelijker deed uitkomen, was dat terwijl de gedeporteerden steeds naakter en slonziger waren, de uniformen van de soldaten vervangen werden, steeds glanzender werden, en ook hun paarden steeds meer opsmuk droegen.

De mannen waren erin geslaagd zich zodanig te organiseren dat de doden zo snel mogelijk werden verzameld. De aankomst van een nieuw konvooi uit Abu Hajar en Hamam werd dadelijk gevolgd door een uitbreiding van het netwerk voor het vergaren van de doden. Ze begonnen te werken in het ritme van de dood. Dat had echter vreselijke gevolgen, want de dood, die merkte dat hij het onderspit delfde, schroefde zijn tempo op. En aan de andere kant gaf dit de soldaten te denken, want die hadden begrepen dat in het kamp van Sebka de mensen zich waren begonnen te onderwerpen aan een andere orde dan die van de dood, en wie de moed heeft zich tegen de dood te verzetten, zou tegen alles op deze wereld in verzet kunnen komen. Daarom zetten ze haast achter het vertrek van de konvooien uit Deir ez-Zor, om wanorde te scheppen. In het kamp in Sebka werden echter nieuwe ploegen gevormd voor het vergaren van de doden; deze ploegen vormden zich voornamelijk uit angst, niet uit angst voor de dood, maar uit angst voor henzelf.

Een degelijk organisatievermogen, zo ongebruikelijk voor een kamp vol met in vodden geklede en bijna zieltogende mensen, kon worden geduld in Sebka, waar slechts enkele duizenden tenten waren, maar had een gevaar kunnen vormen in Deir ez-Zor, in het midden van de zevende kring, waar het aantal gedeporteerden in de tienduizenden liep.

Daarom had de commandant op een ochtend opdracht gegeven dat alle mannen in de leeftijd tussen vijftien en zestig jaar zich aan de rand van het kamp moesten verzamelen. Ze zouden aan het werk worden gezet, taluds aanleggen. En ze zouden, uiteraard, eten en drinkwater krijgen. Ze kwamen tussen de tenten tevoorschijn en sommigen geloofden, gezien het feit dat ze aan het werk werden gezet, dat ze blijkbaar nodig waren en dus gespaard zouden worden. Anderen kwamen aarzelend tevoorschijn en alleen na dreigementen van de hoofdman dat ze hen anders met de paarden uit de tenten zouden sleuren. Weer anderen, zoals Rupen, sloten zich onverschillig bij hen aan. Sinds hij engelenjager was geworden, zonder zich al te zeer om hun kleur te bekommeren, maar wel om het draderige vlees onder hun vleugels, voelde Ruben zich leeg van binnen, het enige doel in zijn leven was zijn kinderen beschermen. Juist daarom, toen Sahag achter hem aan kwam vanuit de gedachte dat hij met zijn veertien jaar tot de rangen der mannen kon worden toegelaten, hield Ruben hem tegen en gaf hem een paar meppen die de jongen deden wankelen op zijn benen, maar die er wel in slaagden zijn enthousiasme te bekoelen.

Sommigen wilden zich echter koste wat kost verborgen houden. Zoals de echtgenoot van de vrouw in de tent naast die van hen, met wie ze vriendschap hadden aangeknoopt. Samen vormden ze één geheel en juist om die reden kon ieder van hen, zowel de man als de vrouw, het uiterlijk van de ander aannemen. De vrouw, rijzig, met smalle heupen en niet al te grote borsten, had vanwege haar mannenkleding bij het samenstellen van de konvooien niet de aandacht van de soldaten getrokken en was erin geslaagd zich voor de vrouwenzoekers te verstoppen. Terwijl de man, slank en zonder baardstoppels op zijn wangen, met een woest uitgegroeide haardos, zich als vrouw kleedde, gespannen de controle van de tenten afwachtend. Maar die vond helemaal niet plaats. Op het moment dat de mannen in een rij werden opgesteld en geteld, ging men ervan uit dat vijfhonderd een voldoende aantal was, zodat het bevel om te vertrekken werd gegeven.

Hoe dan ook was het mannelijk aandeel in de konvooien afgenomen. Tijdens de tocht naar Deir ez-Zor waren de mannen de favoriete doelwitten van de vijandige aanvallen geweest. Op sommige plaatsen werden, om geen vergissingen te begaan, de konvooien van begin af aan opgesplitst in mannen en vrouwen, waarna de mannen werden omgebracht in de hinderlagen die de krijgersbendes hadden gelegd of gewoonweg door de soldaten die de opdracht hadden hen te bewaken. Als gevolg hiervan bestonden de konvooien voor het grootste deel uit vrouwen, kinderen en bejaarden, van wie de laatsten bijna allemaal het loodje hadden gelegd omdat ze het tempo van de anderen, onderweg naar Sebka, niet hadden kunnen bijhouden. Sommige konvooien, vooral die welke uit het westen kwamen, hadden tot dit punt bijna duizend kilometer afgelegd.

De twee niet uit woede maar uit wanhoop gegeven meppen waren de laatste herinnering van Sahag aan zijn vader, Ruben Șeitanian. De mannen werden weggevoerd naar het zuiden, naar de Syrische woestijn, en gefusilleerd. En zo was de dood zegevierend teruggekeerd, zich uitstrekkend als een groenzijden lap die boven het kamp hing.

Toen het konvooi waar Hermine en haar twee kinderen alsmede het verliefde stelletje deel van uitmaakten op weg ging, liep de lente ten einde. Het water van de Eufraat was enigszins bedaard en helderder geworden. Aangezien de vilajets langs de twee bronnen van de Eufraat nu van Armeniërs waren ontdaan, dreven er ook minder lijken in de rivier, en de plaats van de lichamen die door de vissen waren opgegeten, door de draaikolken waren verslonden of aan de oever waren blijven vastzitten werd niet door andere ingenomen. Net als ieder ander graf had de Eufraat zich gesloten en was weer een plek van het leven geworden.

Als de weg naar Deir ez-Zor via een andere route was gelopen, zouden ze waarschijnlijk reeds van de dorst zijn omgekomen, vooral na het aanbreken van de hondsdagen. Zo echter gaf de rivier, waarin dood water zo lang met levenschenkend water was vermengd, nu zijn klare golven te zien. En zo bleef het de hele weg tot aan Deir ez-Zor, waar de Eufraat de konvooien aan hun lot overliet en verder stroomde om de Tigris te ontmoeten.

 

deir ez-zor. de laatste kring. Het konvooi bestond eerder uit vogelverschrikkers. Ze leken weinig te wegen in de bries, een stel neerstrijkende vogels, geen opeenvolging van mensen. Foto’s gemaakt door buitenlandse reizigers die erin slaagden in de buurt te komen van de konvooien of degenen hadden gefotografeerd die onmachtig langs de kant van de weg waren achtergebleven in afwachting van hun dood, tonen ons op de weg naar Deir ez-Zor voornamelijk kinderen. De voettocht naar de zevende kring was een soort kinderkruistocht geworden. Die hetzelfde lot beschoren was als alle ongewapende kruistochten. De kinderen op die foto’s zijn vel over been, met ineengekrompen lichamen, met ingevallen buiken, met botten die zich als stalen springveren over de holle magen krommen, met tot takken verschrompelde armpjes en beentjes, met buitenproportioneel grote hoofden, wat ook geldt voor de oogkassen, waarin de oogbollen naar buiten puilen of diep in het hoofd verzonken liggen. De kinderen kijken voor zich uit zonder enige gelaatsuitdrukking, alleen metr de oogopslag van een verwarde geest, ze kijken alsof ze uit een andere wereld komen, ze steken hun armen niet uit, ze vragen nergens om. In hun ogen ligt geen haat, ze hebben te kort geleefd om te begrijpen en te veroordelen. Er ligt geen enkel verzoek in, want ze zijn vergeten wat honger is, er ligt geen droefenis is, want ze hebben de vreugden van de kindertijd niet gekend, er ligt geen vergeten in, want ze hebben geen herinneringen. In hun ogen ligt het niets. Leegte, het venster dat op een kier geopend is naar de andere wereld.

Het ineenzijgen van een vrouw veroordeelde ook haar kind ter dood. Het vaakst bleef het aan het hoofdeinde van de moeder liggen en dan wachtten ze gezamenlijk op de dood. Hermine had met schrik de rosse kleur van de tyfus op de wangen van haar dochtertje opgemerkt. Binnen de kortste keren, vanwege de hitte, hadden de rode vlekken zich uitgebreid. Hermine liep verder terwijl ze haar dochter bij haar schouders vasthield, met tranen in haar ogen. Sahag wilde haar helpen, maar zijn moeder liet hem niet in de buurt komen, om hem te behoeden tegen de ziekte. Zij raakte hem zelf ook niet meer aan, ze bestudeerde hem alleen, met haar blikken, in haar slaap, angstig op zoek naar kenmerken van de ziekte. Soms dacht ze tot haar schrik dat ze deze had waargenomen. Dan weer haalde ze opgelucht adem, het waren slechts stofplekken geweest die, klef van het zweet, de kleur van geronnen bloed hadden aangenomen. Ze bedwong zich om hem in haar slaap te omhelzen, ze liefkoosde alleen haar dochter, zonder dat het haar iets kon schelen of ze zelf ook ziek zou worden, ze deed het zelfs met opzet, want de gedachte haar in haar eentje op de andere wereld te moeten achterlaten was een gruwel voor Hermine, die, omdat ze niet wist hoe ze haar dochtertje moest genezen, bad dat ze samen zouden sterven.

De tocht van Sebka naar Deir ez-Zor was de langste en meest gruwelijke van allemaal. Bijna honderd kilometer lopen. Aangezien ook de bereden soldaten, die zaten te dommelen in hun zadels naast de konvooien die zich met verbrande voetzolen door het zand sleepten, last begonnen te krijgen van de hitte, besloten ze ’s nachts te reizen, en overdag zochten ze een plekje op de oever, waar een koele briesje vanaf de rivier waaide. De weinige overgebleven mannen improviseerden tenten om zich tegen de verwoestende hitte te beschutten. Sommigen werden in hun slaap door waanzin getroffen: ze beefden, woelden en moesten flinke klappen krijgen om wakker te worden en niet in hun slaap te stikken. Anderen raakten in wakende staat hun verstand kwijt en liepen een willekeurige richting uit, maar die tocht eindigde al gauw voor hen, want aangezien ze de gewoonte zich in acht te nemen waren kwijtgeraakt, stortten ze getroffen door kogels neer.

Het waren konvooien zonder schaduw. Overdag, languit uitgestrekt op de grond, lieten ze geen schaduw achter, en op plaatsen waar nog een vlekje schaduw te vinden was, hulden ze zich daarin alsof het beddengoed was. De schaduwen plakten als zweet aan hun lichaam. ’s Nachts, wanneer ze weifelend verder strompelden, over stenen struikelend of in de kuilen langs de kant van de weg vallend, werden ze hun eigen schaduw. De konvooien waren zo verzwakt, dat ze zelfs de kracht ontbeerden hun schaduw af te leggen en deze achter hen aan te slepen, als een net. De schaduwloze konvooien hadden bijna twee weken nodig om de tocht van Sebka naar Deir ez-Zor af te leggen.

Het kamp lag op de rechteroever van de Eufraat. Ditmaal liep het aantal tenten in de tienduizenden. Deir ez-Zor was het laatste centrum, in het oosten, waar nog dergelijke kampen werden ingericht. Vanaf Deir ez-Zor was er geen doorreis meer mogelijk naar deze wereld.

Daarom kregen de gedeporteerden niets meer te eten. Omdat er vrijwel niets groeide en er nog maar weinig mannen waren die de schepsels van de woestijn, aangelokt door de lijken, konden doden, werd de honger ondraaglijk. De lichamen waren zo uitgeteerd, dat ziektes zich met grotere traagheid verspreidden, want het organisme ontbeerde zelfs de kracht ze te dragen. De tyfuslijders kregen geen koorts meer, omdat ze geen antilichaampjes meer aanmaakten. In de confrontatie met de honger hadden de andere ziekten zich teruggetrokken, ze lieten toe dat deze zijn tanden in de buiken zette, het vel strak trok over de botten en de ingewanden deed verschrompelen.

Er waren steeds minder incidenten. Nadat de kampleiding de groep rondom Levon Șașian had ontdekt, die niet alleen de levende logboeken had georganiseerd welke op de huid van wezen van het ene kamp naar het andere werden doorgegeven, maar ook een systeem voor de levering van medicijnen en voedsel had opgezet, voor zover dat mogelijk was, en, volgens hetzelfde systeem als in het kamp van Sebka, ploegen had georganiseerd die erin slaagden de lijken te begraven in het ritme van de dood, nadat dit allemaal dus was ontdekt, werd Levon Șașian het kamp uit gesleurd en op beestachtige wijze vermoord door Zeki Pasja, de kampcommandant, zelf. Iedere vorm van interne organisatie van het kamp werd onderdrukt en zo was, naar mening van de soldaten, ieder risico van een opstand verdwenen, en het kamp verzonk in lethargie. De angst van het leger voor een opstand was wellicht ongerechtvaardigd, gezien het feit dat de soldaten goed geëquipeerd waren, uitgerust tot op het punt van verveling en tot op de tanden bewapend, en de gedeporteerden steeds meer uitgemergeld, steeds meer in vodden gekleed en steeds wankelender in de dronkenschap van de dood. Toch was de bezorgdheid van de soldaten oprecht en die van de autoriteiten in Aleppo en Deir ez-Zor evenzeer. De soldaten hadden geleerd tegen andere soldaten te vechten, en hun wapens waren zo vervaardigd dat ze een dreiging vormden voor vijanden die bang waren voor de dood. Er waren nog geen wapens uitgevonden om mensen die niets meer vreesden angst aan te jagen. Uitgeput en verteerd door de honger waren de gedeporteerden zich er niet van bewust dat juist het feit dat ze zich met de dood hadden verzoend, hun vreeswekkende kracht vormde. Hoewel deze kracht die voortkwam uit het ontbreken van angst voor de dood toenam met iedere nieuwe kring, was hun tocht door de zeven kringen des doods geen tocht van de opstandigheid. De reis van de konvooien kwam eerder neer op een afwachting van de dood. De dood, die door het kamp doolde, was een van hen geworden, hij was ook een van de slachtoffers van de kringen van Deir ez-Zor.

Maar naar buiten drong de dood slechts door als een dof gemurmel. Een Duitse reiziger die erin was geslaagd de gedeporteerden van Deir ez-Zor van dichtbij te bekijken, was niet zozeer diep getroffen door de in het oog lopende dingen, die de foto’s in al hun afgrijselijkheid te zien geven, maar door één detail: in dat gruwelijke oord had hij geen mensen zien huilen. Of beter gezegd: hij had niet gezien wat men normaal gesproken verstaat onder een huilende mens, hij had dus geen tranen gezien.

Het is echter niet waar dat de mensen niet huilden. Alleen huilden ze anders. Degenen die nog de kracht hadden om te zitten schommelden heen en weer, de anderen huilden met hun ogen wijd opengesperd naar de hemel. Maar hun huilen was een soort ononderbroken gekreun, met een lage stem, dat, herhaald uit duizenden borsten, klonk als een eentonige dreun. Het huilen was geen streep over de wangen, maar een geluid. Aangezien deze dreun, eindeloos galmend en in samenklank met de omgeving, was gaan klinken als het gieren van de wind tussen de zandduinen of het stromen van het water van de Eufraat, raakte het gehuil nooit vermoeid, totdat de laatste konvooien uit Deir ez-Zor waren weggevoerd naar de hoogvlakten waar de gedeporteerden werden vermoord. Dit droge geweeklaag nam ook de plaats in van de gebeden, en van de vervloekingen, en van het stilzwijgen, en van de getuigenis, en soms nam het ook de plaats in van de slaap. Velen vielen in slaap terwijl ze zo jammerden, anderen stierven huilend en dan bleef hun gehuil nagalmen in hun verstarde borstkas, als in een orgelbuis. Ik heb dit gehuil gehoord wanneer opa Setrak schommelde in de ligstoel in de tuin of wanneer opa Garabet zich opsloot in zijn kamer en stopte met vioolspelen.

Aanvankelijk ergerden de soldaten zich aan dat kreunende gehuil, vooral omdat het, herhaald door het water en de wind, overal vandaan leek te komen. Daarna raakten ze eraan gewend, de dreun bleek betrouwbaarder dan enige schildwacht; zolang deze eentonig bleef klinken, betekende dit dat er niets bijzonders aan de hand was. Hij zou zijn stilgevallen indien de mensen een andere bezigheid hadden gevonden dan sterven en weeklagen om hun doden. Hij zou stilvallen, zeiden de soldaten, als de gedeporteerden in opstand kwamen of als ze allemaal zouden sterven. De gedeporteerden, met uitzondering van de gevallen van waanzin, die meestal werden afgehandeld met een kogel in de borst op de uitgestrekte vlakte die hen omgaf, kwamen niet in opstand. Sterven deden ze ook niet zo snel, want het zag ernaar uit dat de dood, die zo lang te midden van de gedeporteerden had rondgewaard, van hen was begonnen te houden. Hoewel de kampen na enkele maanden werden opgeheven en de gedeporteerden in de tussentijd bijna allemaal om het leven waren gebracht, viel de dreun niet stil in Deir ez-Zor.

In die tijd maakten de Turkse soldaten, met gespitste oren bij dit geluid dat zijn eigen stroombed, breder dan dat van de Eufraat, creëerde, zich niet al te veel zorgen over de bewaking van het kamp van Deir ez-Zor. Aan de zuid- en oostkant was geen bewaking nodig, want daar lag de woestijn. Wie probeerde die kant uit te vluchten, had geen schijn van kans het er levend af te brengen. En de Eufraat, die het kamp begrensde, bood ook al geen hoop.

Deir ez-Zor was een tijdlang de eindbestemming van alle konvooien, zonder dat de autoriteiten hadden besloten wat hen hierna te doen stond. Waarschijnlijk verwachtten ze dat de konvooien onderweg geleidelijk zouden verdwijnen zodat Deir ez-Zor alleen een soort lazaret zou zijn, waar degenen die toch waren gearriveerd snel de geest zouden geven, een soort Hastahane, zoals die in Tefridje en Lale te vinden waren. Ondanks alle gelegenheden die hun in overvloed waren geboden, waren enkele honderdduizenden gedeporteerden halsstarrig in leven gebleven. Of, beter gezegd, ze waren gewoon vergeten te sterven. Het kamp raakte steeds voller en moeilijker te beheersen, niet zozeer door toedoen van de mensen als wel vanwege alle dingen die hen troffen of die zij veroorzaakten, namelijk de ziekten en de uitwasemingen. Aangezien de autoriteiten in de hoofdstad van het Rijk een snelle en definitieve oplossing van het Armeense vraagstuk verlangden, werd Deir ez-Zor van eindbestemming overgangskamp. Echter niet meer voor de overgang tussen twee kampen, maar voor de overgang tussen twee werelden.

Van alle ontberingen bleek de honger erger te zijn dan de ziektes en de pijnen. Verstoken van enige aanvoer van voedsel, overgeleverd aan toevallige voedselbronnen, van onkruid, zure vruchten of wilde honing tot de kadavers van dieren, geraakte het kamp van Deir ez-Zor in een hallucinerende staat. Uitgemergelde lichamen liepen met wankele tred naar de Eufraat om water te drinken, vervolgens gingen ze liggen met hun gezicht in de brandende hitte, schommelend en kreunend, zodat het was alsof ze zich voedden met zonlicht, als planten. Sommigen, die het besef van iets anders en van een ander gevoel dan honger waren kwijtgeraakt, staken alles in hun mond wat ze maar voorhanden hadden, ze knaagden aan boomschors, knabbelden op lappen die waren doordrongen van de zoute smaak van zweet of uitwerpselen, die, door het voedselgebrek, hard en klein waren, als geitenkeutels. Na het afslachten van Lvon Șașian en de anderen die, met hun werk aan de graven, hadden geprobeerd de doden een onderkomen te geven, lagen de lijken nu weer lange tijd te dralen onder de tenten. Er verschenen weer doden zonder gelaat, zonder een hand of een voet. Degenen die, eens in de zoveel dagen, de tenten afgingen om de aan stukken gereten of in ontbinding verkerende lichamen eruit te halen, werden niet langer door huivering bevangen. Sommigen deden het opzettelijk, van jagers op kraaien of hyena’s waren ze jagers op doden geworden. Daarom bekeken de mensen in de tenten hen aandachtig en vertrouwden ze niet aan zomaar iedereen hun doden toe.

Zelfs toen bleek de operatie niet bepaald eenvoudig. Het werd steeds moeilijker om de doden en de levenden uit elkaar te houden. De levenden bleven urenlang onbeweeglijk liggen en vielen vaak in slaap met opengesperde ogen, zodat ze blind raakten door de zonnehitte die hun oogwit verbrandde. En de doden maakten soms schokkende bewegingen als gevolg van de grote temperatuurverschillen tussen dag en nacht, wanneer hun gewrichten zacht werden in de zon of juist samentrokken door de nachtelijke vrieskou. Zodat ze hen in het wilde weg begonnen te verzamelen, en sommigen keerden nog terug van de rand van de kuil, waar ze waren gewekt door het geluid van lichamen die op elkaar werden gesmeten.

Toen het teken werd gegeven, begonnen de konvooien zich opnieuw te vormen. Een deel kreeg opdracht naar het oosten te trekken, naar Marat en Suvar. Andere gingen naar het westen, en sloegen de richting van Damascus in. In beide richtingen was de ontknoping dezelfde. Zodra ze waren aangekomen op een hoger gelegen stuk grond dat de voorhoede geschikt achtte, namen de soldaten afstand, vervolgens omsingelden ze het konvooi en openden met hun vuursteengeweren van alle kanten het vuur. Wanneer niemand meer overeind stond, bevestigden ze bajonetten aan hun geweerlopen, trokken hun jatagans en stapten over de lichamen, die ze afslachtten, zodat de kling de klus klaarde waar de kogel zijn doel had gemist. De konvooien telden tussen de drie- en vijfhonderd zielen. Hun lot was telkenmale hetzelfde, met dien verstande dat de soldaten de taak soms overlieten aan de bedoeïenen en er genoegen mee namen alleen aan het einde een inspectie uit te voeren, om zich ervan te verzekeren dat ze zich naar behoren van hun taak hadden gekweten.

Hermine wachtte, met haar dochtertje in haar armen, op de dood. Het meisje werd steeds erger gekweld door koortsrillingen, ’s nachts ging Hermine languit boven op haar ligging in een poging haar warm te houden. Sahag had ergens een handvol groene dadels op de kop weten te tikken, één keer zelfs een granaatappel die onder het zadel van een soldaat uit was gevallen. Ze aten één voor één de zoetzure pitjes, die ze lange tijd onder hun tong lieten zitten. In de andere tent leed het verliefde stelletje honger zonder dat ze op zoek konden gaan naar voedsel, want de vrouw liet het onder geen beding toe dat haar man hun schuilplaats zou verlaten, uit vrees dat de soldaten hem zouden zien en zouden doden. Ze leken zich aan elkaar te laven, en omdat ze met elkaar verbonden waren, wisten ze het op deze manier vol te houden. Tot op een avond dat ze, toen de kou was ingevallen, zich uit elkaars armen losmaakten en opstonden. Ze trokken hun kleren uit en de vrouw reikte deze aan Hermine aan. ‘Bedek het kind hiermee,’ zei ze. ‘Het rilt van de kou.’ Ze waren helemaal naakt. Hermine keek met grenzeloze verwondering naar hen, niet vanwege hun naaktheid, die, net als al het andere wat het lichaam kon overkomen, niet ongebruikelijk was in het kamp. Ze waren echter onuitsprekelijk mooi. Ze hadden een vreemd licht in hun oogopslag, hun haar was sluik geworden en glansde rondom hun voorhoofd, hun vlees was van een verwoestende witheid, haar dijen waren rond en haar borst was opgezet, en zijn spieren rolden en spanden zich rondom zijn botten. Het licht vormde korrels op hun schouders en rondom hen vormde zich geen schaduw. ‘We zijn gekomen om afscheid te nemen,’ zei hij, maar het leek of zijn lippen zich niet hadden bewogen. Toen pakte hij zijn vrouw bij de hand en ze verwijderden zich. Lange tijd bleven hun silhouetten binnen hun blikveld, misschien ook vanwege de lichtende contour die hun lichamen had gekregen. Zo helder en onverschillig als ze waren, leken ze boven het zand te zweven. Hermine en Sahag wachtten met gespitste oren op het geluid van de schoten. Maar er gebeurde niets; zelfs niet toen de duisternis viel en de klei en was van hun lichamen omhulde. Er bleef alleen een onbestemde geur hangen, als van rook, als tondel van mirre en amber. ‘Ze zijn ontkomen,’ fluisterde Hermine. ‘Ik ga hen terugroepen,’ zei Sahag. ‘Aan die kant is de woestijn, dat overleven ze niet. Niemand is levend uit die zandvlakte teruggekeerd.’ Hermine gaf hem een teken te gaan zitten en kwam bij hem. ‘Laat ze… Ze zijn mooi en zonder zonde. Ik moet steeds denken dat Rupen gelijk heeft.’ Ze sprak over haar man in de tegenwoordige tijd, als over iemand die ver weg is, die zal terugkeren, al was op dat moment Rupen al samen met het konvooi mannen uit Sebka omgebracht. ‘Rupen heeft gelijk. God is gestorven. Laat hen maar verder lopen. Hier, waar je hen voor het laatst hebt gezien, aan de rand van het kamp van Deir ez-Zor, is de begrenzing van de Hof van Eeden. Het is de toegang tot de hemel, op slechts twee passen afstand. We zijn teruggekeerd naar de plaats vanwaar we aan het begin der beginnen zijn vertrokken. Maar intussen is de wereld helemaal verdorven. Misschien zullen zij het licht van het begin gaan ophalen en zullen ze een andere God scheppen.’

Sahag staarde in de duisternis, waar de lichamen van de man en zijn vrouw nog één keer naast elkaar opflakkerden voor zijn ogen en vervolgens uitdoofden. En plotseling streek er een frisse en ruisende bries over het voorhoofd van de jongen. Alsof het zand opzij was gegaan om de twee ruimte te bieden en er allerlei aantrekkelijke bomen uit de aarde omhoog waren gekomen. Twee armen van een veel grotere rivier kwamen vóór hen samen: het waren de Tigris en de Eufraat. En de man liep door de tuin welke door het water ervan werd besproeid, liet zijn familie achter, en zijn vader en zijn moeder, en voegde zich bij zijn vrouw, en zij werden één enkel lichaam.

Maar hier, naarmate de konvooien, enkele honderden mensen tegelijk, naar de hooggelegen, in fusilladeplaatsen veranderde gronden werden gevoerd, onderweg naar Suvar of op de weg naar Damascus, voegden zich andere konvooien bij hen, die uit het westen kwamen en afdaalden naar de laatste kring des doods. In die julimaand van het jaar 1916 maakten menigten zich los, sloten menigten zich aan, en al dat komen en gaan ten spijt bleef het kamp van Deir ez-Zor gelijk aan zichzelf, als het ware roerloos. De omringende streken vulden zich met botten. De laatste grens was overschreden. De levenden boden zich aan aan de doden en maakten uit het begraven van de doden de enige bezigheid die ze nog hadden. De doden boden zich aan aan de levenden en hielden hen warm, als kledingstukken, tijdens de kille nachten, en dienden hun, die gek waren van de honger, als hostie.

Hermine keek, met dwalende blik, naar haar dochter. De zomerhitte trok de waterdruppels die de zouten in de lichamen nog bij elkaar hield naar buiten en begon mensen te doden door hen uit te drogen. De levenden en de doden, die op elkaar leken in hun onbeweeglijkheid en door de stuiptrekkingen die ze af en toe maakten, begonnen nu ook op elkaar te lijken door de donkere, dorre kleur van hun wangen.

Afgaande op het tempo waarin de executies elkaar opvolgden, was het de bedoeling het concentratiekamp in de herfst van datzelfde jaar op te doeken. Zelfs zonder executies waren de omstandigheden van detentie in Deir ez-Zor zodanig dat niemand de winter zou hebben gehaald. Gedurende die zomer stierven vooral de kinderen. Velen van hen bleven onbegraven tussen de tenten liggen, als lege karkassen, verschrompeld en zwart uitgeslagen. Hermine wachtte met ongeduld totdat ze zouden worden meegenomen in een konvooi, zonder te weten waar ze op hoopte, afgezien van het zielsverlangen daar weg te gaan. Met roerloze, opengesperde ogen fluisterde het meisje af en toe: ‘Ik heb honger!’ Toen haar gekreun ononderbroken werd, jammerend tijdens het uitademen en fluitend wanneer ze lucht in haar longen zoog, ging Hermine alle tenten af. Na een uur kwam ze met lege handen terug. ‘Ze hebben je niks gegeven, hè?’ vroeg het meisje met doffe stem. ‘Dan moet je hun later ook niets van mij geven…’ glimlachte het kind droevig. Hermine bracht haar hand naar haar mond, zo overstuur dat ze vergat de jongen weg te jagen toen hij dichterbij kwam om haar te strelen. Ze wierp hem een erg vreemde blik toe en pakte hem toen bij zijn pols. ‘Kom mee!’ zei ze tegen hem, met een andere stem. Ze trok hem de tent uit en nam hem mee naar de rand van het kamp, stroomopwaarts, waar de Arabieren hun dieren lieten drenken. Ze bleef naast haar zoon staan, op de oever van de rivier, en bad dat het zo snel mogelijk voorbij zou zijn.

De Arabier die naderbij kwam, keek naar hen zonder vriendelijkheid, maar wel nieuwsgierig, vooral naar de jongen. Aangezien Hermine en de jongen Turks spraken, konden ze zich verstaanbaar maken in de paar woorden die Mohammed had verspreid in de landen van zijn geloof. Maar dat was niet meer nodig, want ze wisten maar al te goed waar het om ging. Deze omstandigheid had zich duizenden maken herhaald langs de reisroutes van de konvooien of aan de rand van de kampen. En om geen misverstanden te laten bestaan, liet Hermine Sahags hand los en duwde hem een stap naar voren, al liet ze een handpalm op zijn schouder rusten om te voorkomen dat de jongen terug zou rennen. Hoewel hij verzwakt was, leek Sahag niet door enige ziekte te zijn aangetast en de Arabier, in plaats van zijn instemming kenbaar te maken, haalde een zak meel tevoorschijn en reikte die aan de vrouw aan. Zij nam hem met beide handen aan en toen, omdat hij voelde dat hij los was uit haar greep, wilde Sahag wegvluchten. Maar de Arabier pakte hem om zijn middel en bij zijn nek en wierp hem op zijn paard, alsof hij een zadeltas was. Hij sprong achter hem en slaakte een kreet, waarna ze in galop wegreden. Hermine bleef lange tijd als aan de grond genageld staan. Ze stak een hand in de zak en haalde er een hand bloem uit die ze in haar mond propte, zodat al haar kreten werden gesmoord.

Lange tijd lag de jongen in een ander soort tent, veel groter, versierd met kleden en met onbegrijpelijke opschriften op de wanden, waarin mensen woonden die een hese en blaffende taal spraken, die hem onverschillig bekeken, maar hem om beurten eten brachten, het zweet van zijn voorhoofd wisten en zijn beddengoed verschoonden. Toen hij genoeg op krachten was gekomen om te kunnen reizen, hesen ze hem op een paard en gingen op weg naar droge streken waar hun enige bezigheden, als ze niet de karavanen in de gaten hielden, eruit bestonden om ’s nachts de vuren brandende te houden waarin kamelenvet lag te knisperen, en om overdag naar water te zoeken. Het enige wat Sahag zich met zekerheid van die dagen wist te herinneren, waren de klaaglijke gebeden van de mannen en het witte gewaad dat hij had ontvangen, een gewaad waarop de scherpe pijn van zijn met het mes bewerkte lid bloedsporen had achtergelaten, zonder dat hij begreep waarom deze nieuwe en mannelijke pijn geglimlach en voldoening op de gezichten van de anderen tevoorschijn toverde. Hij ontving, samen met het witte en bebloede gewaad, een nieuwe naam, Yusuf, zonder dat iemand hem had gevraagd naar zijn oude naam. Maar daar zou hij zijn voordeel mee doen, want toen ze, later, naar hem op zoek gingen, helemaal tot aan Urfa en Diyarbakir, vonden ze hem niet, omdat ze niet wisten naar wie ze moesten vragen.

Yusuf werd een waardevolle knaap. Hij leerde de kamelen bij hun halster vasthouden en toezicht op ze houden bij het drenken. Hij had de kunst van het paardrijden onder de knie gekregen, hij wende aan het droge voer en leerde wat geduld was tegenover de zanderige uitgestrektheid. Hij ontving mannenkleding, hij kreeg zijn eigen paard, het enige schepsel waarmee hij nog Armeens kon praten, en net als de anderen boog hij diep, bij zonsopkomst en zonsondergang, rond het noenuur, en mompelde iets dat op een gebed leek. Hij zou een goede ruiter van de woestijn hebben kunnen blijven, met zijn reeds in de kringen des doods geharde lichaam, met de lange wimpers die zijn ogen behoedden voor het zand, met zijn donkere gezicht, gemaakt om de geseling van de wind te weerstaan, en met het zwarte krulhaar, een goede beschutting tegen de hitte. Het feit dat hij geen Arabisch kende, werkte in zijn voordeel. Niemand zeurde aan zijn hoofd met vragen en hij hoefde niet over zichzelf te vertellen. Hij hoefde niet te bidden tot een profeet die zich aan hem had geopenbaard door hem met bloed te besmeuren, want hij bewaarde voor zichzelf de andere profeet, die zich bloedend aan hem had geopenbaard.

Hij zou een goede ruiter van deze uitgestrektheid kunnen zijn geweest en op een dag de leider van zijn stam kunnen zijn geworden. Hij zou ’s winters zijn afgedaald naar de oevers van de Rode Zee, tot in de omgeving van Medina en, althans eenmaal in een mensenleven, tot aan Mekka, vervolgens zou hij omhoog zijn getrokken, via Jeruzalem en Damascus, tot aan de plaatsen die hij zo goed kende en zelfs nog hoger, naar de bergen, naar Ra’s al-’Ayn en Mosul. Yusuf bleef zich echter afzijdig houden en de anderen, die er genoegen mee namen dat hij een harde werker was, lieten hem met rust en verstoorden de onverstaanbare gesprekken die hij met zijn paard voerde niet.

Yusuf leefde dit leven met verwondering. De uitleg kreeg hij echter, zoals gebeurt wanneer de vragen niet nauwkeurig zijn, ineens. Ze hadden Mosul bereikt. Het was een goede dag geweest. Ze hadden geitenmelk en kamelenhuiden verkocht. In de tent heerste warmte en rust, het rook naar geroosterd vlees, maar voordat ze op kussens rondom het vuur plaatsnamen, telden ze de goudstukken die ze in buidels knoopten. Vervolgens bewonderden de vrouwen de geschenken – barnsteen, stoffen en sieraden. En het mooiste sieraad knelde de baas van de tent in zijn vuist en schonk hij, door zijn vingers als bij toverslag te openen, aan de jongste van zijn vrouwen. Zij legde het om haar hals en kronkelde, blij, terwijl ze danste rondom het vuur bij het schrille geluid van de zurna’s en in het ritme van de tamboerijnen. Het vuur vonkte en knetterde van de druppels vet, de gezichten glommen en werden gerekt door de vlammen, het ritme van de trommels verenigde zich met het handengeklap en de vrouw wervelde rond, meegevoerd door haar jeugd en haar blijdschap om het sieraad. En dat de jongen zag toen zij, al heupwiegend en schuddend met haar borsten vanuit de wortel van haar schouder, tot vlak bij hem was gekomen. De aan een gouden kettinkje bevestigde talisman, die zichtbaar en met trots werd gedragen, herinnerde de jongen zich vergezeld van het deemoedige gebaar van zijn moeder die hem onder haar kleren wegstopte. Niemand had het in de gaten toen hij de tent uitglipte. Het enige dat hij wist te doen, met zijn verwarde geest, was het als een bezetene op een rennen zetten. Hij wist zelf ook niet voor wie hij wegvluchtte, hij rende totdat hij buiten adem was en hij op zijn knieën neerstortte. En omdat hij de behoefte voelde uit zijn lichaam te treden, zich los te rukken, begon hij te schreeuwen. Hij ging zitten op het zand en al wiegend schreeuwde hij het uit alle macht uit. Toen de kreten waren weggeëbd en plaats hadden ingeruimd voor het gekreun van Deir ez-Zor, het droge gesnik, was Yusuf gestorven. Hij was een ongelukkig schepsel geweest, vreemd, zwijgzaam, dolend door plaatsen die hij niet kende en te midden van goden in wie hij niet geloofde. Geboren uit bloeding en gedood door geschreeuw. Niet zoals dat gebeurt wanneer een lichaam een ander lichaam doodt, door hem van buiten naar binnen te steken. Yusuf stierf doordat hij van binnen naar buiten werd gestoken, door het lichaam dat hij met het zijne had bedekt, als een witte en bebloede boernoes.

Nu hij zich van dat nieuwe gewaad had ontdaan, nu Yusuf aan zijn voeten lag als een afgedankt kledingstuk, keerde Sahag terug te midden van de tenten. Ditmaal, omdat hij niet langer een zoon van de stam was, naderde hij steels, zich verschuilend in de duisternis, en vermeed de vuren en de tentopeningen. Hij begaf zich naar de kraal van de dieren en trok zijn paard zachtjes mee aan zijn halster. Zwijgend vorderden ze door het zand, het paard volgde hem zonder enige verandering waar te nemen, hij gehoorzaamde hem en snoof zijn geur op, want voor hem had Yusuf nooit bestaan. Hierop klonk hun galop, maar toen waren paard en ruiter al ver weg.

Hij sloeg de westelijke richting in, een route die omgekeerd was van die van de konvooien, helaas betekende de terugkeer door de kringen des doods, van het Pasen der doden tot het Pasen van de wederopstanding, echter geen terugkeer in de tijd. Integendeel, terwijl hij treden beklom, de een na de ander, vanuit de diepte waarin hij gevallen was als in een put, trof hij slechts de sporen aan die de konvooien hadden achtergelaten, overlevenden die langs de kant van de weg stonden te bedelen, nieuwe en angstaanjagende namen die waren gegeven aan de afgronden die de botten in morenen werden vermaald, de kinderen van zijn volk, gekleed in pofbroeken, met Yusufs die, als in een broedmachine, in hun borstkassen groeide. Dikwijls wilde hij terugkeren naar de tent om die Arabier te doden, ten overstaan van zijn vrouwen en kinderen, en de talisman van zijn moeder terugpakken. Maar dan zei hij bij zichzelf dat de Arabier geen schuld droeg, degene die de ketting van de hals van zijn moeder had gerukt was ergens anders en hij zou een te grote oorlog dienen te voeren om die man te achterhalen of om al zijn gelijken te doden om de zekerheid te krijgen dat ook de moordenaar van zijn moeder zijn welverdiende straf had ontvangen. De Arabier was uiteindelijk zijn weldoener gebleken en het was niet zijn schuld dat in deze tijden de waarde van een menselijk wezen zozeer was gedaald dat de bedoeïen het leven van de jongen had getaxeerd op een zak met meel.

In Ra’s al-’Ayn kwam Sahag weer bij de spoorlijn die hij had verlaten toen hij twee jaar eerder, in Al Marmoura, met een opgezwollen en rood gezicht van het gebrek aan lucht en water uit de veewagons was gestapt.

Hij verkocht zijn paard en reisde, in één dag en één nacht, weggedoken in de hoek van een wagon, tot aan Izmid. Bij terugkeer vond hij geen enkel herkenningspunt meer dat hem de weg kon wijzen. En toen viel zijn reis een tijdlang samen met die van de treinen en de boten die hem in westelijke richting voerden, tot aan Bazargic en vervolgens naar Silistra.

Zolang hij op de vlucht was, lieten zijn herinneringen hem met rust. Toen hij ten slotte neerstreek in Silistra, ging hij in de leer bij een handelaar, waarna hij zijn eigen nering opende. Toen hij, later, op zoek ging naar een echtgenote en, zolang hij die niet gevonden had, zijn tijd sleet met de meisjes die in de haven op de zeelieden stonden te wachten, raakte de bedoeïenensjaal die hij ooit aan zijn voeten had neergeworpen bezield, siste als een slang en volgde in de voetsporen van Sahag. Aldus verscheen hij op een avond met het gelaat van Yusuf tussen het licht van de gaslampen, weerspiegeld in het raam. Hij bekeek vol afgrijzen hoe hij danste, bij het geluid van trommels en zurna’s, hoe hij zijn witte gewaad, van een woestijnbewoner, verscheurde, hoe hij zijn lid in de hand nam en zich aftrok, huppelend, met woeste oogopslag, hoe hij hijgend geen zaad maar bloed tussen zijn vingers door spoot. Sahag zag geen andere manier om dit visioen te verjagen dat hem bespatte met zijn smerige zaad dan door een stuk gereedschap te pakken en daarmee het raam in te slaan. Yusuf schaterde het uit, zijn gezicht brak in duizend gezichten die zich door het vertrek verspreidden. Toen hij weer tot zichzelf kwam, bekeek hij zichzelf zoals hij was, met verwilderd gelaat, wanordelijke kleding, zijn nog niet gekalmeerde lid wanstaltig in de hand. Hij begreep dat Yusuf in hem was gevaren en dat hij niet tegen dit doorzichtige gelaat kon vechten door ramen in te slaan en spiegels te bedekken.

Sahag en Yusuf haatten elkaar, maar ze wisten dat ze gedwongen waren met elkaar te leven. Yusuf verdroeg tienvoudig de kwellingen waaraan Sahag onderworpen was geweest, want hij was genoodzaakt de gebeden tot een andere heiland en de volkomen vrome rites van dat geloof te verduren. Hij nam echter wraak op dat volk, dat hem vreemd was, op de enige manier die hem te beschikking stond, dat wil zeggen: met het lid dat het kenmerk van zijn geboorte droeg, door het zaad ervan te vergiftigen. Omdat hij verbonden was met dit voor eeuwig onvruchtbaar gebleven zaad, dat tegelijk met het verstrijken van de jaren steeds minder en geringer werd, werd ook Yusuf steeds geringer. In mijn jeugd was Sahag Șeitanian al een oude man. Dat is de reden dat ik Yusuf niet heb gekend.

In tweeën gespleten, eraan gewend dat iedere helft van hem de andere helft beloerde en haatte, erop wachtte tot de ander zou inslapen om hem te kunnen treffen, doch onvermijdelijk vielen ze tegelijkertijd in slaap en raakten slechts in hun dromen gescheiden, want de twee helften konden niet tegelijkertijd dromen. Naarmate zijn andere helft kromp, tegelijk met de aanvaarding van hem en zijn vrouw Armenuhi van het feit dat ze geen kinderen konden krijgen, omdat hij het gewend was te haten en geen plaats vond voor alle haat in de nissen van zijn gespleten ziel, begon Sahag haatgevoelens te koesteren jegens anderen. Eerst jegens Yusufs gelijken. Maar omdat er tamelijk weinig van deze in zijn omgeving waren en zijn ongebruikte haat knarste als de hoektanden van wilde dieren die moeten knagen omdat ze anders blijven groeien totdat ze hun eigen schedel doorboren, richtte Sahag zijn haatgevoelens op de bolsjewieken. De onverhoopte gelegenheid daartoe bood zichzelf na de oorlog, toen, in tegenstelling tot de periode waarin de enige communist in Focşani een groenteboer was geweest die aan de drank was en wiens enige politiek activiteit eruit bestond dat hij hardop, met dubbele tong, op 10 mei op de dynastie en de koning liep te schelden, totdat de autoriteiten voorzorgsmaatregelen namen en hem in de vroege ochtend oppakten, nog voordat hij uit zijn roes was ontwaakt en dus weinig spraakzaam was, na de oorlog dus, toen de stad volstroomde met communisten. Sahag placht hen aan te duiden als groothandelaren, zakkenvulcommunisten. De communisten betaalden hem voor de genegenheid die hij jegens hen aan de dag legde met hun gebruikelijke gulheid, dat wil zeggen: door zijn winkel leeg te roven totdat er niets meer te roven viel, want alles wat hij had werd in beslag genomen. Sahag genoot er iedere keer van. ‘Neem maar mee!’ brulde hij, terwijl hij met zijn armen zwaaide en op één been stond te huppelen. ‘Roof maar!’, en dan gooide hij de verpakkingen Van Houten-cacao achter hen aan, ‘Jullie hebben dit vergeten mee te nemen!’, of de pakjes met koffiebonen, die over de stoep werden uitgestrooid, als kevers.

Hij was met het idee gekomen om de Telefunken-radio in Sefarians graftombe te installeren en hij ging er in zijn eentje ’s nachts naartoe om naar Radio Vrij Europa te luisteren. Hij keek, in de zomer van 1958, met begerige blikken de bataljons van het Rode Leger na die zich over de weg naar Tecuci terugtrokken, en later zat hij urenlang onbeweeglijk te kijken, op mevrouw Maria’s televisietoestel van het formaat van een schoteltje, tegenover ons huis, naar de rechtstreekse uitzending van de begrafenis van Gheorghe Gheorghiu-Dej, zonder zich een detail te laten ontgaan, en onderwijl knabbelde hij op zonnebloempitjes, dronk bier en leverde commentaar alsof hij in het stadion zat. ‘De Russen hebben hem bestraald,’ zei hij, ditmaal zonder een spoor van verwijt aan hun adres. ‘Ze hebben gezorgd dat zijn maagzweer is doorgebroken!’

En Sahag Șeitanian was ook de eerste die zich liet verleiden door de aantrekkingskracht van landkaarten. De oude Armeniërs, weggerukt uit de plaatsen van hun jeugd, gevlucht, geëmigreerd, hadden woestijnen, werelddelen, zeeën en oceanen overgestoken, maar echt gereisd hadden ze niet. Hun tocht door de wereld was onderdeel van hun droefenissen, niet van hun nieuwsgierigheden of genoegens. Daarom bereisden zij de papieren uitgestrektheden, als boekenschorpioenen.

Cartografische platen waren als een kerf in de reële wereld, ze openden een nieuwe dimensie. Op deze platen eindigden oorlogen altijd anders dan in werkelijkheid, de fedayin in de bergen hakten legers in de pan, de gevangenen slaagden erin te ontsnappen uit deportatiekampen, en de strijders uit omsingelingen. De Amerikanen landden in de Balkan, de hemel was bezaaid met Engelse parachutisten, de Russen trokken zich terug tot in het diepst van Siberië. En uiteraard strekte Armenië zich uit van de Kaukasus tot Tyrus en Sidon, van Anatolië tot het Urmiameer, zoals ten tijde van Tigran de Grote, in de laatste eeuw voor Christus. De wereld bestond uit een opstapeling van landkaarten, wemelend van de pijlen die duidden op landingen, bevrijdingen, verdrijvingen, teruggaven, elan en triomf. Van alle kaarten was de minst gemarkeerde en daarom de meest veronachtzaamde de onderste, die regelrecht op het gras was uitgespreid, dat wil zeggen, de werkelijkheid zelf.

Precies om deze reden golden er op zijn landkaarten andere verdragen en hadden de oorlogen een andere afloop gekend. Het Verdrag van Sèvres was van kracht. De conferentie van Jalta had niet plaatsgevonden en het potlood met de opzettelijk botte punt van Stalin had Europa niet verdeeld. Sahag Șeitanian en de andere Armeniërs van mijn kinderjaren waren eerder mensen van de landkaarten, en niet van de aarde. Ze waren soms zo onverschillig, hun blikken zo ver verwijderd, dat het leek of ze samen met de kaarten werden opgerold en van deze wereld verdwenen.

In Het boek der fluisteringen heeft iedere geur, iedere kleur, ieder sprankje waanzin zijn eigen tovenaar. De gids van de uiteenlopende werelden, de tovenaar van de landkaarten, was Micael Noradunghian. De anderen stonden om hem heen en keken met grote ogen toe hoe de werelddelen onder zijn handen werden gladgestreken. Mijn grootvader zat wijs en zwijgend toe te kijken, er was niets beter dan een landkaart om te bewijzen dat er voorbij de wanorde der tijden toch een bepaalde zin bestond. Anton Merzian vergat nog vragen te stelen en wanneer de kaarten waren uitgespreid, waar plaats was voor iedereen, maakte hij niet langer ruzie met Krikor Minasian. Ștefănucă Ibrăileanu, Măgârdici Ceslov, Agop Aslanian, Vrej Papazian, Ovanez Krikorian en alle anderen kwamen bedeesd naderbij en lieten zich meevoeren naar dat nieuwe Bethlehem, waar de verlossing zich openbaarde in de vorm van een landkaart. Sahag Șeitanian keek overweldigd door dit wonderbaarlijke toe. Dit waren de enige momenten waarop hij zich, met uit hun verstarring bevrijde ingewanden, kon verzoenen met Yusuf.

 

Uit het Roemeens vertaald door Jan Willem Bos

 

* Gheorghe Gheorghiu-Dej, secretaris-generaal van de Roemeense Communistische Partij in de periode 1945-1965, voorganger van Nicolae Ceaușescu. (vert.)

* Colivă, internationaal beter bekend onder de Griekse naam kolyva, is gezoete tarwe die wordt gegeten op begrafenissen ter nagedachtenis van de overledene. (vert.)

* De Boeg is een rivier in Oekraïne. (vert.)

* De Siguranţă is de benaming voor de vooroorlogse Roemeense veiligheidsdienst. (vert.)

* Dobrogea (in het Nederlands ook wel Dobroedzja) is de Roemeense naam van de regio tussen de Donau en de Zwarte Zee. (vert.)