An excerpt from „The Book of Whispers” will appear in June, in neerlandese version
Revista nerlandeza Gierik/NVT va publica, in luna iunie, un numar special, dedicat literaturii romane. Din cele 175 de pagini ale publicatiei, 18 sunt dedicate unui fragment din Cartea soaptelor. in traducerea prestigioasa a lui Jan Willem Bros (foto).
GIERIK/NVT
DOSSIER ROEMENIË
Samengesteld, ingeleid en vertaald door
Jan Willem Bos & Jan H. Mysjkin
Varujan Vosganian
HET BOEK DER FLUISTERINGEN
Vertaald uit het Roemeens door Jan Willem Bos
Varujan Vosganian (1958) is econoom, politicus en schrijver. Hij is sinds 1990 lid van het Roemeense parlement en is enige tijd minister van Economische Zaken en minister van Financiën geweest voor de Liberale Partij. Vosganian heeft drie dichtbundels en een bundel korte verhalen gepubliceerd voor het verschijnen van Cartea şoaptelor in 2009. Door Cartea şoaptelor aan te duiden als een ‘roman’ zet Vosganian de lezer eigenlijk op het verkeerde been. Het boek is een familiegeschiedenis en een geschiedenis van de Armeniërs in Roemenië. Het is schilderachtig en beeldend, maar tegelijkertijd aangrijpend en schrijnend.
Wanneer van verre de klanken van Mantu’s tuba te horen waren, liepen de mensen te hoop in de tuinen. En wanneer de lage trillingen van de tuba vergezeld gingen van de klaagzang van de trompet en de bugels, stonden de mensen al aaneengerijd langs de stoep van Strada Tăbăcari om de stoet te zien.
Strada Tăbăcari, de Looiersstraat, verbond de ringweg met de Câmpineanca-barrière. Voorbij de barrière was het kerkhof. De enige weg waarover de begrafenisstoeten passeerden. De overledene werd thuis of uit de kerk opgehaald. De man, tot dan toe ziek en dikwijls genegeerd of in de kracht van zijn leven en door een onverwachte dood weggerukt, kwam plotseling in het middelpunt van de aandacht te staan. Er werd met belangstelling, soms met genegenheid over hem gesproken, hij werd gewassen, netjes aangekleed, van hier naar daar gedragen en overal begeleid, als een bruid.
In onze buurt woonden enkele vrouwen op leeftijd, meestal zelf ook weduwen, die hier verstand van hadden. Ze kwamen uit het niets tevoorschijn, soms zelfs al voordat de zieke de geest had gegeven. Die vrouwen brachten angst teweeg en de mensen hielden hen vanuit hun ooghoeken, vanachter de schuttingen, in de gaten. Ze hadden een onfeilbaar instinct, ze waren in staat om al van tevoren de zoetige geur van de dood op te snuiven, ze lieten zich nergens door verrassen. Wij haalden adem in het ritme van de jaargetijden en konden zo de rauwe geur van de lentebloemen opsnuiven, de zware, droge aroma’s van de zomer, de stoom van de stookketels met jam, pruimenbrandewijn of bouillon in de herfst en vervolgens de metaalachtige geur van de sneeuw. Voor hen bezat de wereld echter maar één jaargetijde, met een mengeling van verstikkende geuren. Soms was er een gerucht: ‘Vandaag is madame Stavarache door onze straat, door de Ghioceilor, langsgekomen. Arme Temelie, de timmerman, dat betekent dat hij het niet lang meer maakt.’ En inderdaad, de oude man die onze houten zwaarden glad schuurde, zodat we struikrovertje konden spelen, en die zich ter gelegenheid van Heldendag mooi aankleedde, zijn medailles op zijn borst speldde en naar het standbeeld van de helden tegenover de rechtbank liep om daar een bloem te leggen, overleed korte tijd later. Een andere keer weeklaagden de buurvrouwen bij ons in de straat over Miţu, de bejaarde mevrouw Rădulescu. Want de weduwe Nistor liep om de oude kerk te drentelen, de kerk van de Heilige Dumitru, op de binnenplaats waarvan de familie Rădulescu woonde. De weduwe Nistor had gelijk, ze had de geur van dunner wordend bloed opgevangen. Miţu leefde echter nog een jaar of tien, en ze bleef haar Carpaţi-sigaretten roken en hoesten als een vent op de sofa onder de lindeboom. Degene die stierf was haar zoon, meneer Rădulescu, die ik dagelijks op weg naar zijn werk langs zag komen fietsen, zijn broekomslagen vastgezet met clips zodat ze niet vast zouden komen te zitten in de trappers.
De mensen kregen zelfs tranen in hun ogen wanneer de zieke lange tijd bedlegerig was geweest en erg had geleden of uitzonderlijk oud was. Wanneer het geen onverwacht sterfgeval was en het niet ging om iemand in de kracht van zijn leven, weeklaagden zij die de wake hielden eerder om zichzelf.
Voor Mitică, de gek, die in een hut van modder en stro woonde aan Strada Petru Maior, was iedereen bang. Hij had een gerimpelde kop, alsof klauwen er voren in hadden getrokken en de schrammen nooit helemaal waren genezen. Zijn ogen waren waterig, de iris was opgelost in het oogwit, hij was niet blind, maar zag met zijn hele oog tegelijk, zoals de standbeelden van de oude Grieken. Hij droeg steevast dezelfde kaki legerbroek, ’s winters trok hij het uniformjasje erbij aan. Hij had die nog uit de tijd van de oorlog, in die kleren was hij met groot verlof gegaan en waarschijnlijk, mits hij zich niet als een wolf zou verschuilen wanneer zijn tijd was gekomen, zou hij er ook in begraven worden. Zijn handen waren eeltig van het houthakken, want daar leefde hij van. De buren vonden het maar eng om hem zo te zien, met de hakbijl in zijn hand. Ze spraken een prijs met hem af en vervolgens hielden ze hun kinderen binnenshuis, met de deuren op de grendel. Ze zetten eten voor hem neer op een boomstronk, hij at wat hem werd voorgezet, vroeg niets extra’s, zelfs geen zout als de bonen te flauw waren, ook geen ui als ze te zoet waren, ook geen water als ze te zout van smaak waren. Wanneer hij dorst kreeg, dronk hij rechtstreeks uit de ton die onder de regenpijp was geplaatst om regenwater voor de was op te vangen. In de winter schepte hij wat sneeuw in zijn handpalm en nam er happen uit alsof het een appel was. Hij liep met een neerhangende rechterschouder, lachend vanonder de bochel op zijn rug, op de andere schouder, waarover hij zich verwonderde. Hij lachte altijd, vet en hees, vreugdeloos, alsof hij een brok in zijn keel wegslikte. Zo was hij sinds Stalingrad, vertelde Temelie. Er was een Russische tank over hem heen gereden: hij was weggerend en in een kuil in de sneeuw beland. Boven zijn hoofd had het geratel van de rupsbanden geklonken, maar die hadden hem alleen verpletterd met hun geluid en met doodsangst. Hij had zich lange tijd schuilgehouden, ze dachten dat hij dood was en hadden zijn spullen ingepakt met het voornemen die naar huis te sturen. Toenmaals heeft hij de gewoonte opgevat om sneeuw te eten, niet om hem op te likken, zoals wilde dieren, maar hem gewoonweg te verslinden door erop te kauwen en stukjes ijs tussen zijn tanden te vermalen, alsof het dunne botjes waren. Ze gingen samen, op Heldendag, naar het standbeeld tegenover de rechtbank, Temelie met zorg gekleed, met een gestreken wit overhemd en een zwarte stropdas, zijn onderscheidingen aaneengerijd op zijn borst, en achter hem, huppelend en lachend, Mitică, gekleed in zijn morsige soldatenuitmonstering. De timmerman en de houthakker, de helden van Stalingrad. Temelie legde een bloem aan de voet van het standbeeld en bleef roerloos staan met neergeslagen ogen. Mitică las schreeuwend – en hij doorspekte zijn woorden met zijn gelach – voor de zoveelste keer de tekst op het plakkaat, waarin de mannen die op het slagveld waren gesneuveld werden geroemd. Maar hij liet het daar niet bij en las vervolgens ook de regels die de communisten intussen met specie hadden afgedekt en die hij, met zijn door Russische tanks vermorzelde ziel, uit zijn hoofd kende. ‘Tijdens de heilige oorlog,’ schaterde Mitică, ‘ten tijde van het glorieuze koningschap van koning Carol i, de grondlegger, en van koning Ferdinand, de vorst van de eenwording van het land.’ Toen de mannen van de militie hadden geprobeerd hem het zwijgen op te leggen, had hij zich uit alle macht verzet. Terwijl ze hem meesleurden over het plein, had hij een mengeling van geschreeuw en geschater uitgestoten, zodat ze er de voorkeur aan hadden gegeven hem maar de hele tekst tot het einde toe te laten voorlezen, zowel de zichtbare als de afgedekte letters. Vervolgens ging Mitică een borrel halen bij de bodega Tăbăcari en dook hij ergens weg achter een schutting, waar hij lange tijd zat te drinken zodat hij wat warmte in zijn borst kreeg, om te bewerkstelligen dat de sneeuw in zijn binnenste een beetje zou smelten. Hij kon nauwelijks nog op zijn benen staan en zijn schaterlach stokte in zijn keel. Hij posteerde zich voor de voorbijgangers, die hij met zijn wijsvinger in hun borst prikte. ‘Je gaat dood!’ brulde hij. Vervolgens tegen een ander: ‘Je gaat dood! Je gaat dood!’ Ik vertelde dit aan mijn grootvader. ‘Hij heeft gelijk,’ gaf deze mij ten antwoord. ‘Van ons allemaal is Mitică de gek degene die uiteindelijk gelijk heeft.’ Zo heb ik begrepen dat mensen de dood vrezen, juist omdat hij echt is.
Dan werden die vrouwen ineens nuttig. Ze wisten alles. Hoe de zwarte doek boven de voordeur moet worden opgehangen. Hoe de gordijnen moeten worden gesloten zodat het zonlicht niet op het gezicht van de dode zal vallen, om het niet te verpesten. Hoe de spiegels moeten worden afgedekt met een zwarte sluier en dat als iemand van de familie van de dode in de spiegel zal kijken, deze ook binnen de zeven jaar door de dood zijn graf in zal worden gesleurd. Hoe je je handen of je gezicht niet moet wassen, dat je, wat de vrouwen aangaat, je haar niet moest kammen of, wat de mannen aangaat, geen scheermes over je wangen moest halen, zodat de dood geen kruimels op de grond zou achterlaten. Hoe het lichaam van de dode moest worden gewreven met in wijwater gedompelde doeken en met nardusolie onder de oksels, bij de slapen, op het voorhoofd en op de buik, om te ontdopen wat gedoopt was, zodat het graf zich echt helemaal zal sluiten en de ziel niet over de aarde zal dolen. Hoe het muntje tussen zijn vingers moet worden gestopt, om daarmee de veerman te betalen, en hoe de handen op de icoon samengevouwen dienen te worden zodat hij kan getuigen van zijn vroomheid bij het Grote Oordeel. Hoe de benen bijeen moeten worden gebonden zodat het lichaam recht ligt tijdens de dienst, en vervolgens moeten worden losgemaakt, zodat niets hem, smachtend, zal binden aan deze wereld en hij vrij zal zijn op de andere wereld. Hoe tijdens de wake de kaarsen moeten worden neergezet, hoe de wik moet worden afgeknipt, zodat er niet te veel licht zal zijn, maar ook niet te veel schaduw, zodat er niet te veel helderheid, maar ook niet te veel walm zal zijn. Hoe het graf moet worden gesloten, als beddengoed, hoe er kluiten op de kist moeten worden gegooid en er wijn over moet worden uitgegoten, hoe de kolyva wordt uitgedeeld, hoe de bezittingen van de dode en schone handdoeken, met een muntje in de punt geknoopt, worden weggegeven, hoe er geweeklaagd moet worden en hoe men, zelfs in deze omstandigheden, elkaar toewenst: ‘Moge God jou zijn levensdagen schenken!’ Dat wil zeggen: de dagen waarvan de dode niet meer heeft mogen genieten.
Dit alles dient een doel. De ceremonieën, de tradities zijn bedoeld om de pijn te verzachten. Je wordt door je taken in beslag genomen, je let erop dat alles gaat zoals het moet, op wat anderen zeggen, je aandacht voor je eigen verdriet verslapt. Dan komen die weduwen die de dood ruiken van pas, want zij weten hoe het hoort. Voor een man, voor een vrouw, voor een onverwacht sterfgeval of een onvoorbereide dode, voor een ongehuwde jongeling en voor een ongetrouwd meisje. De ontzielde mens, die tot op dat moment een nietig, onopvallend leven heeft geleid, kent zijn moment van glorie. De weduwen zorgen ervoor dat voor sommigen hun begrafenis zelfs de allerbelangrijkste, ook al is het de laatste, gebeurtenis van hun leven is [ik zou het laatste zinsdeel naar voren schuiven]. Gedragen in een lijkwagen, voor hen met geld, of in een kar, met de doodskist netjes geplaatst op een dik en levendig gekleurd tapijt, gevolgd door een stoet mensen die, wanneer ze de samenscholing op de trottoirs zien, menen dat zij, in hun zwarte kleren, even belangrijk zijn als de dode, met daar achteraan de toevallige meelopers, de nieuwsgierigen, de bedelaars, de armoedzaaiers en de klaplopers, die geknoopte handdoeken ontvangen en kolyva op kartonnetjes waarop normaal gesproken worstjes worden geserveerd. Voorop, aan het hoofd van de stoet, ernstig en onheilspellend, de koperblazers van Mantu’s fanfare. De fraai glanzende instrumenten, oorverdovend en tegelijkertijd klaaglijk, verstomden ineens wanneer de stoet stilhield voor een kerk en de priester wierook verspreidde naar alle vier de windstreken.
Mantu was een klein opdondertje. Hij zeulde zijn tuba traag met zich mee en drukte zich ertegenaan als een slak tegen zijn huis. Onder het lopen draaide hij zich om en dirigeerde met zijn wenkbrauwen de trompetten, bugels en saxofoon. Zijn broer, de kleine Mantu, Budiştenau, Frunză, de gebroeders Câlţea en Fofoc. Gekleed in zwarte broek en wit overhemd in de zomer, en in de winter in gewatteerde jassen en over hun oren getrokken bontmutsen, terwijl ze een blauwige wolk achterlieten van hun ademhaling, die gezwollen was van de opbollende wangen en de in mondstukken gestoken lippen.
Begrafenissen vonden plaats rond het middaguur. Vanuit de verte was allereerst Mantu’s tuba te horen. Aanvankelijk als pressie in de oren, alsof de lucht plotseling zwaar werd en op het trommelvlies drukte. Vervolgens als een verre donder die ergens, voorbij de stroombedding van de Milcov, wegebde. De mensen keken uit het raam, door de rammelende ruiten. Op een onbewolkte dag wisten ze dat het Mantu’s tuba was. Als de lucht bedekt was, wachtten ze op het andere teken, namelijk het gejammer van de trombone en het geschreeuw van de trompetten.
Wanneer hij ons huis passeerde, drukte de door Mantu’s trechter voortgestuwde lucht op de slapen, op alle dunne en doorzichtige dingen. ’s Winters werd de rook in de schoorstenen erdoor aan het wervelen gebracht. Met Kerstmis kwamen de feestvierders met de grote trom voorbij. In het ritme van de trom dansten de feestvierders met berenkoppen of geitenkoppen door de straten. Ik weet niet hoe de kop eruitzag van het reusachtige schepsel dat in het ritme van Mantu’s tuba boven de stad danste. Maar al was het dan onzichtbaar, het bestond toch, want wanneer het langskwam, deed de rook vergeefse pogingen om op te stijgen. De rook verspreidde zich tastend over de tuinen en de huizen, op zoek naar een kier waardoorheen hij kon ontsnappen en opstijgen. De dood ketende de rook vast aan de aarde. Wanneer Mantu’s tuba zich verwijderde en ook de sporen van de boven de stad dartelende dood waren verdwenen, begon de rook weer op te stijgen naar de hemel. Dan kreeg de lucht de helderheid die altijd op de dood volgt.
Ik zag hem ’s middags bij ons aan de poort. Hij wiste zijn voorhoofd af met de handdoek die hij bij de begrafenis had gekregen, die hij vervolgens in zijn zak propte. De geknoopte punt liet hij naar buiten hangen. Hij zette zijn tuba tegen de muur – die stakker is ook moe, zei hij – daarna ging hij zitten, ineengekrompen en paars aangelopen van al dat blazen. Hij stak een sigaret op, inhaleerde diep, om opnieuw vertrouwd te worden met de rook die hij had opgesloten. Hij nipte aan zijn glas wijn, likte met zijn blauw uitgeslagen tong over zijn lippen en keek naar opa, met een benepen ongeduld.
‘De trombone,’ zei opa Garabet.
Of, een andere keer: ‘De trompetten…’
‘Wat is er met de trompetten?’ vroeg Mantu met schorre en matte stem, als de lucht die, tijdens de slaap, door de trechter van de tuba stroomde.
‘Bij de mars van Chopin hebben ze te vroeg ingezet. Ze hadden de bugels nog een kwartnoot hun gang moeten laten gaan.’
‘Nietes, ze waren precies op tijd. Ik heb ze een teken gegeven.’
Grootvader schonk hem nog een glas in, vervolgens liep hij het huis in. Mantu wist dat nu het moeilijkste moment ging komen. Hij maakte zich nog kleiner op de stoel, als een kat. Hij wist wat er stond te gebeuren en als het had gekund, zou hij zich uit de voeten hebben gemaakt. Maar dat kon niet. Hij en zijn tuba waren onafscheidelijk en hij kon onmogelijk rennen met het instrument op zijn rug. Hij was tuba begonnen te spelen op zijn veertiende, toen de oude Mantu vond dat, aangezien zijn borstkas al twee handbreedten wijd was, zijn longen genoeg ontwikkeld waren voor het blazen. Wanneer hij niet speelde, hield hij de tuba binnen handbereik en poetste hij hem met zijn mouw, totdat hij blonk als een spiegel. Ze liepen altijd samen op, de man en de tuba, met trage passen en gebogen schouders. In feite had Mantu, sinds de dag dat de oude hem met zijn handpalm had gemeten en had besloten dat hij in staat was op het instrument te blazen, nooit meer gerend.
Nu had hij echter zin om op de vlucht te slaan, maar hij had al te veel tijd voorbij laten gaan en hij wist niet zo goed hoe hij het moest doen zonder te struikelen. Want het onvermijdelijke werd bewaarheid: grootvader keerde terug met de partituur en opende die op tafel. Vervolgens wees hij het aan.
‘Hier!’ stelde hij vast.
Mantu boog zich over het vel heen en keek naar de plaats die de vinger aanwees. Het enige wat hij zag waren kriebelige en priegelige zwarte tekens.
‘Dan zal het wel zo zijn,’ fluisterde hij. ‘Als u het zegt…’
Een andere keer was er iets mis met de trombone. Of met de bugels. Grootvader spreidde de partituren uit alsof het vellen bladerdeeg waren. Hij liet zijn vinger erover glijden. De Symphonie fantastique van Hector Berlioz. Het Requiem van Fauré. De Messiah van Händel. Mantu kneep zijn ogen samen tot spleetjes boven de met torren bezaaide bladen.
‘Welke is de tuba?’ wilde hij weten.
‘De onderste,’ antwoordde grootvader, en hij wees op de ruimte met de minste torren die voor je ogen krioelden. ‘Zie je wel, hier en daar een cirkel zonder staart of, nu eens lager, dan weer hoger, een pijlpunt.’
‘Krijg nou wat!’ riep hij verwonderd uit. ‘Ben ik dat?’
En met een blik op zijn glanzende tuba: ‘Hij lijkt niks te wegen! Terwijl je in werkelijkheid je ziel moet uitwringen om die in de trechter te proppen, zodat er geluid uit komt…’
Maar grootvader was nog altijd niet te spreken over de trompetten. Mantu liet hen allemaal opdraven, de gebroeders Câlţea, de trompettisten, vervolgens de kleine Mantu, Budişteanu, Frunză en Fofoc. Ze gingen op krukjes zitten in de tuin, waar ieder van hen, met paarse lippen en van binnen roze en van boven eveneens paarse vingers, aan zijn lepel met sorbet zat te trekken. Grootvader liet de ebonieten plaat ronddraaien, veegde er lichtjes over met de mouw van zijn jasje en legde hem vervolgens op het apparaat. Hij tilde de arm van de pick-up op, hief een waarschuwend vingertje om stilte te vragen en zette de naald behoedzaam op de juiste plek neer. De zigeuners keken reikhalzend toe. Boven het dixielandritme uit doorkliefde de trompet van Louis Armstrong in een plotselinge opwelling de lucht. Grootvader knikte met zijn hoofd en zijn hand, op het ritme van de muziek. Ze luisterden geboeid. Toen het voorbij was, brachten ze gegeneerd hun hoofd weer terug op zijn plaats.
‘Hebben jullie die hoge tonen gehoord?’ vroeg opa Garabet.
Natuurlijk hadden ze die gehoord. Meedogenloos vervolgde grootvader: ‘Hoe hoog het geluid ook is, het klinkt vol en open. Waarom kan het bij hem wel en bij jullie niet?’
‘Als die lui goed te eten krijgen…’ waagde de oudste Câlţea.
‘Krijg jij dan niet goed te eten? Moet je zien wat een pens je hebt…’
‘Dat is van de narigheid…’ jammerde de zigeuner. ‘En van de zonder kauwen doorgeslikte klonten. Daar groeit mijn buik van… Van het brood en van de narigheid. Maar hier, zoals ik het zie, is het een kwestie van longen, niet van buik.’
‘Ik geloof eerder dat het een kwestie van verstand is,’ wierp grootvader tegen.
‘Des te erger,’ hield de zigeuner voet bij stuk. ‘Brood maakt dom.’
‘Eet dan maïsgries,’ diende Budişteanu hem van repliek.
‘Maar maïsgries vult niet…’ sputterde Câlţea tegen, toen hij zag dat niemand zijn kant koos.
Een andere keer zie ik hen op het braaklandje aan Strada Patriei, de Vaderlandstraat, in de zigeunerwijk. Gezeten in een kringetje, met zakdoeken om hun zweterige nekken, met ingevallen of opbollende buiken, afhankelijk van ieders welvaren. Alleen Mantu is blijven staan, hij steunt zijn tuba en leunt daar tegelijkertijd op en trekt aan zijn sigaret. Tegenover hen zit grootvader aan tafel en geeft uitleg. En uitgespreid op tafel – waardoor het groezelige en zoute zweet de muzikanten nog meer uitbreekt – de partituren.
‘De negende symfonie van Beethoven,’ verkondigt grootvader. ‘Het derde deel. Andante.’
‘En weer van die zwarte dingen?’ vroeg Câlţea angstig.
‘Hou je mond, stomkop,’ siste achter hem Budişteanu, die een beetje muziek had gedaan aan de Volksschool voor de kunsten en de enige was die iets van noten kon maken, mits hij ze een voor een spelde, zoals hij de krant las.
‘Als het niet van die zwarte dingen zijn,’ probeerde Câlţea het recht te zetten, ‘dan gaat het misschien wel…’
‘De tuba gaat tegelijkertijd de contrabassen en de grote trom spelen. De trombone – de cello’s en de hoorns. De bugel – de blazerspartij. En de violen spelen de melodie van de violen.’
‘Hoezo dat?’ riepen de gebroeders Câlţea verontwaardigd uit. ‘Violen zijn voor muzikanten. Wij zijn geen muzikanten…’
‘Wat zijn wij dan wel?’ vroeg Fofoc.
‘Muzikanten lopen bruiloften af,’ legde Budişteanu uit. ‘Wij spelen op begrafenissen. Daarom mogen wij ons musici noemen.’
‘Hou je mond effe, musicus!’ blafte Mantu hem toe, terwijl hij nog een sigaretje opstak.
En tegen grootvader: ‘Vertel het maar, chef!’
Mantu sprak niet veel. Omdat hij altijd met gezwollen kaken op zijn tuba aan het blazen was, konden zijn lippen de woorden maar moeilijk vormen, alsof ze er iedere keer weer aan moesten wennen. Hij had niet genoeg adem om een lange zin van begin tot eind uit te spreken. Dan verslikte hij zich in een hoestbui en liep hij paars of eerder helemaal zwart aan.
‘Als jij niet stopt met roken,’ adviseerde grootvader hem, ‘zul je een dag net zo uitdoven als de sigaret die je weggooit. Tenzij je gewoon alle kracht verliest en sterft met een sigaret aan je lippen geplakt.’
Mantu haalde zijn schouders op. Zijn ademhaling ging fluitend, alsof hij in een mondstuk blies. Hij was het niet gewend om zomaar voor niets te ademen.
‘Het is zo mooi geweest,’ zei hij. ‘Ik heb genoeg geblazen voor drie levens.’
Mantu sprak onverschillig over de dood. Dertig jaar had hij die in alle mogelijke verschijningsvormen gezien, op alle leeftijden en gekleed in verschillende weeklachten en gebruiken. ‘Tijdens de oorlog,’ herinnerde hij zich, ‘leek het wat rustiger te zijn. De dood sloeg ver weg toe.’ Verder was hij niet bang. Op iemand als hij, voor wie het leven en het uit alle macht, vanuit het diepst van je ingewanden, in een instrument blazen één en hetzelfde ding waren en ademhalen een regelrechte verplichting was, kwam de dood veeleer als iets aanlokkelijks over.
‘Ik blaas genoeg,’ concludeerde hij. ‘Laat me dan af en toe ook eens een beetje zuigen.’
‘Aldus!’
Grootvader gaf met zijn linkerhand de maat aan en sloeg de bladzijden om, onderwijl langzaam neuriënd. Daarna volgden om beurten de trompetten, de bugels en de trombone de melodie om hem van buiten te leren. Af en toe zei grootvader vreemde dingen: mol, kruis, tremolo… De blazers begrepen niet met hun verstand wat ze niet begrepen met hun oren. En dus wees grootvader met zijn duim omhoog terwijl hij ‘mol’ zei, en stak hij deze omlaag wanneer hij ‘kruis’ zei, alsof hij iemand wenkte om zijn glas nogmaals bij te vullen, en de tremolo was een licht gefladder met de vingers. Wanneer zijn stem er niet meer bij kon, pakte hij zijn viool en ging verder waar zijn stembanden hem in de steek lieten. Daarna liet hij hen zingen, als een zevenstemmig koor. Eigenlijk zes, want Mantu blies op gezette tijden zijn wangen bol, wanneer grootvader hem daartoe aanspoorde met zijn tot een vuist gebalde vingers, daarna pufte hij: boem-boem, waarbij hij op de grond stampte ter ondersteuning. Hun koor was eerder een gemompel. ‘Je moet het eerst met je stem beheersen,’ zei grootvader, ‘en dan pas met je vingers… Je moet het van binnen zingen, zodat het van buiten goed te horen is.’ En dan: ‘De trompetten luider!’ En tii-tiii-taaaa, miauwden de gebroeders Câltea. Ba-da-bam, trappelde Budişteanu in een poging de trombone na te bootsen. En eronder, boem, boem, Mantu’s tuba.
‘Laat eens horen wat je te doen staat!’ verlangde grootvader van hem.
‘Als u dood bent, chef…’ stamelde Mantu.
Steevast begon de zigeuner, tegen zijn normale doen in, te snotteren, alsof hij op het punt stond in huilen uit te barsten.
‘Genoeg met die onzin,’ kapte grootvader hem af. ‘Wees een vent, schaam je je niet voor die tuba die je met je meezeult? Vertel op!’
‘Hete oven, chef.’
‘Precies!’ bevestigde grootvader.
Hij liet hem eindeloos ‘Hete oven’ herhalen, totdat dit de enige manier bleek te zijn om hem die naam te laten onthouden.
‘Beethoven dus! En verder?’
‘Andante… Zachtjes dus…’
‘Rustig, muzikant. De ene keer zachtjes, de andere keer hard. Maar rustig…’
‘Ja, chef!’
‘En zonder fouten…’
‘Op het licht van mijn ogen…’
‘Anders sta ik op uit de dood.’
‘Sta maar op, chef!’
‘Deze jongen is mijn getuige,’ zei grootvader. ‘Kom eens hier,’ wenkte hij mij.
Ik stopte met spelen met de kastanjes en kwam dichterbij.
‘Kijk in mijn ogen en zeg me na, zodat hij je ook hoort.’
‘Hete oven… De negende… rustig… zonder fouten…’
Het was Mantu te veel geworden. Hij stikte van al dat gepraat. En om zijn hoestbui te smoren, zette hij de tuba aan zijn lippen. Het gehoest veranderde in het hakkelende gezang van het instrument. Grootvader liet zich voor de mal houden en verwijderde zich, met mij aan de hand en met in zijn kielzog de klanken van de tuba, die vergeefs trachtten de gaten in Mantu’s week geworden longen te overstemmen.
Strada Patriei was de zigeunerwijk. Hij kwam uit op Strada Tăbăcarilor bij de barrière, de kant van het dorp Câmpineanca uit, daar waar zich het winkeltje van Angheluţă bevond, met aan de andere kant van de barrière de begraafplaats met nog iets verderop, naast de zoom van het bos, het Armeense kerkhof. Een lange rechte straat, onverhard en omgeploegd door de zware karren van de koperslagers die oud ijzer inzamelden. Met scheve, omgevallen of wankele en in de haast gestutte schuttingen, of helemaal zonder – ‘schuttingen zijn niet nodig, want een zigeuner steelt niet van zijn buurman,’ zei Mantu trots – met lemen huizen die schuine ramen hadden, zodat de warmte in de zomer niet zou binnendringen en in de winter niet zou ontsnappen. Het waren armzalige stulpjes, bij sommige zaten er geen ruiten in de ramen, andere hadden dekens in plaats van deuren, zonder schoorstenen, met kachelpijpen die door het raam naar buiten staken, zodat de lucht werd verzuurd, die toch al scherp was van allerlei geuren die opstegen uit de rommelige moestuinen achter de huizen. Degenen die een kar bezaten, hadden ook een schuur gebouwd, tegen het huis aan, voor de dieren. Zodat ’s winters de dieren de muur van het huis verwarmden met hun adem op de plaats waar, aan de andere kant van de lemen muur, de mensen hutjemutje bij elkaars zaten. ‘Zoals we niet naar de Boeg* hebben willen gaan, zo wilden we ook niet naar de stad gaan,’ verklaarde Mantu de ordening van de zigeunerwijk aan Strada Patriei. ‘Maar de stad heeft ons opgeslokt…!’ Afgezien daarvan was het gezelligheid troef. De vrouwen praatten aan één stuk en riepen naar elkaar van de ene naar de andere kant van de straat, ontelbare snotneuzen speelden tussen de ganzen in de modder, loslopende honden lagen te soezen en zochten met name hun toevlucht naast de bouwvallige muren van mensen die de armoede vrijgevig had gemaakt. ’s Zomers droogde de modder op en barstte, de wielen van de karren knarsten en kinderen deed hardloopwedstrijden en renden achter fietswielen met kapotte banden aan. In de herfst verdiepte de modder zich en kroop tegelijk, als klimop, tegen de huizen en de schuttingen op. Het was net zo in het voorjaar, wanneer de dooi hem kneedde. ’s Winters was het echter mooi, net als overal elders, wanneer het sneeuwde, zelfs nog mooier, want omdat er minder gestookt werd dan in andere huizen, bleef de sneeuw langer liggen. Wanneer de sleebaan op Strada Patriei begon te smelten, wist je zeker dat er geen andere meer in de stad over was.
De muzikanten waren de boodschappers van de dood, maar tegelijk namen ze die met zich mee wanneer ze zich verwijderden, als een geketende beer, en de lucht vulde de leegte dadelijk weer op. De hemel daalde tot op grasspriethoogte en de rook steeg op tot de hemel.
Grootvader was een hartstochtelijk liefhebber van boeken. En daarom is het juist toen gebeurd. Aldus:
de dag waarop de boeken werden verbrand. De lijst met verboden boeken was bezorgd door de postbode. De aanhanger heeft drie dagen op de straathoek gestaan. De mensen sjouwden zakken vol met boeken. Ze wisten niet of het wel of niet een goed idee was om te laten zien dat ze verboden boeken in bezit hadden gehad. Boeken brengen mensen op verkeerde gedachten en doen volksvijanden ontstaan. De lijst met boeken was zo lang, zelfs teksten uit de schoolboeken stonden erop, dat het onmogelijk was dat iemand niet minstens één verboden boek in huis had. De mensen propten gegeneerd de boeken in zakken en haalden opgelucht adem toen ze die afgaven aan de man in de overall, op de treeplank van de aanhanger aan het uiteinde van de straat. ‘Het is beter zo. In plaats van dat zij komen zoeken, kunnen we ze liever zelf brengen.’ ‘Al goed, maar wij hebben geen enkel boek van die lijst. Of misschien één of twee… Waar vullen we de zak dan mee?’ ‘Wat maakt dat uit?’ zei het gezinshoofd met een schouderophalen. ‘We gooien er gewoon iets in wat we in huis hebben… Uiteindelijk zullen zij ze allemaal verbieden, dan kunnen we ze beter in één keer kwijt. Wat heb je vandaag de dag nog aan boeken van gisteren? Al die herinneringen brengen alleen maar narigheid.’
Niemand was de boeken komen onderzoeken, ze waren niet meer uit de met waslijn dichtgebonden zakken gehaald. Dan was het lossen eenvoudiger. Om plaats te maken op het plein, voor het Pastia-theater, waar op wonderbaarlijke wijze de buste van Mitiţă Filipescu was blijven staan, schoven graafmachines de neergegooide zakken aan de kant. Er werden zoveel boeken ingezameld dat het hele plein vol lag: losse bladzijden zweefden langs als witte vogels, dartelend in de bries. Ze werden omgewoeld door voetstappen, de boeken probeerden te ontkomen, ze voelden dat er iets niet in de haak was, de mensen hadden hen tot dan toe niet zo behandeld. Met laarzen werden ze teruggeschopt naast de andere. Ze vlogen door de lucht, met uitwaaierende pagina’s, en doken dan ineen in afwachting tot er in plaats van de schacht van een laars een hand zou komen om in ze te bladeren. Schuivende graafmachines, opengescheurde zakken waar een mengelmoes van vellen en omslagen uit stroomde, met de geur van een oude secretaire, van niet opengevouwen doeken. Toen de doordringende stank en de glinstering van de erover uitgegoten benzine. En het vuur. Ik was in die tijd nog niet geboren, mijn vader was een jongeling van nauwelijks twintig, slank en met een snorretje, hij keek toe zonder zelfs maar te kunnen huilen, want de gloed van het vuur schroeide zijn wangen en droogde zijn tranen.
De vlammenzee woedde de hele nacht. De bewakers van het vuur, die wel reuzen leken doordat ze werden gerekt door het licht van de vlammen, wierpen enorme schaduwen over de mensen die stilzwijgend toekeken, over de huizen en de ramen, over de stad. In de vroege ochtend steeg er rook vermengd met vonken op uit de smeulende puinhopen. Boven de stilte van de stad uit, vanaf het landje aan de straat die pas later een naam zou krijgen, klonk de muziek van Mantu’s blazers op. De fanfare had de hele dag gespeeld, tot aan de avond, met in hun midden mijn grootvader Garabet, die in de partituren bladerde. Aldus stegen de rookwolken niet op, maar bleven dik en grauw hangen, als een oude boekomslag. Pas toen hen het bericht bereikte dat er gewapende soldaten naar hen op zoek waren, verspreidden de zigeuners zich naar hun armzalige huisjes. Eenmaal ontketend stegen de rookwolken op en verwaaiden. De mensen keken verbouwereerd naar de dikke rook, die als een straf aan de hemel hing. Pas na het vallen van de nacht klaarde de hemel op en werden de sterren zichtbaar. Op de dag dat de boeken werden verbrand, ging de ene nacht in de andere over zonder zonsopkomst en zonsondergang, alleen via een verstikkende schemering. Dat was de kracht van Mantu’s tuba en van de andere muzikanten, een kracht waar zijzelf bang voor waren, zonder hem te kunnen begrijpen.
Net als voor de onvermurwbare blikken van grootvader Garabet, druk in de weer met zijn partituren. Ze transpireerden onder het spelen. De stoet trok over Strada Tăbăcarilor tot aan de begraafplaats, toen klopte Mantu aan bij onze poort om een glas wijn en erbarmen. Dat grootvader hem niet toonde. ‘De saxofoon,’ sprak hij streng. ‘Wat is er met de saxofoon?’ vroeg de muzikant met doffe stem. ‘Hij heeft een halve toon te hoog gespeeld…’ ‘Budişteanu is verkouden…’ probeerde Mantu. ‘Zijn oren zitten verstopt.’ ‘Foutloos, heb ik je gezegd!’ eiste grootvader, en de zigeuner slikte iets weg.
Uiteindelijk is het inderdaad foutloos gegaan. Alleen was degene die de weinig talrijke stoet aanvoerde mijn grootvader Garabet geweest en de muziek had niet langs Strada Tăbăcarilor geklonken, maar was begonnen aan Strada Patriei. Mantu heeft geen ziekbed gekend. Hij ging op zijn zij liggen en blies hoestend zijn laatste adem uit. Om zijn droge hoest te verhullen, had hij, met zijn laatste krachten, de tuba naar zijn mond gebracht, zodat ze allebei tegen de muur konden leunen. Uit de trechter kwamen hortende klanken, in het ritme waarin de zieke longen er de brui aan gaven. Toen het geluid niet meer haperde, maar ononderbroken en gelijkmatig werd, als een apparaat dat aan het hoofdeind van een zieke aangeeft dat zijn hart is gestopt met kloppen, begrepen de anderen dat het voorbij was. Het geluid bleef doorklinken. Fofoc bukte en haalde het mondstuk van zijn lippen, zodat Mantu’s ademhaling rust kon vinden. Toen kon de hemel neerdalen, als een vogel die, na almaar rondjes te hebben gedraaid in de lucht, ten slotte op de aarde neerstrijkt. En de rookwolken konden opnieuw opstijgen, zoals het gras dat weer tot zichzelf komt als de paarden eenmaal voorbij zijn.
* De Boeg is een rivier in Oekraïne. (vert.)