Excerpts from „The Book of Whispers” Translated into Dutch by Jan Willem Bos
Varujan Vosganian
Cartea şoaptelor – Het boek der fluisteringen
De auteur:
Varujan Vosganian (1958) is econoom, politicus en schrijver. Hij is sinds 1990 lid van het Roemeense parlement en is enige tijd minister van Economische Zaken en minister van Financiën geweest voor de Liberale Partij. Vosganian heeft drie dichtbundels en een bundel korte verhalen gepubliceerd voor het verschijnen van Cartea şoaptelor in 2009.
Het boek:
Door Cartea şoaptelor aan te duiden als een ‘roman’ zet Vosganian de lezer eigenlijk op het verkeerde been. Het boek is een familiegeschiedenis en een geschiedenis van de Armeniërs in Roemenië. Het is schilderachtig en beeldend, maar tegelijkertijd aangrijpend en schrijnend. Het boek wordt ondersteund door het Roemeense Boekcentrum, dat de volgende promotionele tekst heeft gepubliceerd:
‘Le roman Le Livre des chuchotements condense, à partir de la mémoire personnelle et familiale de l’auteur l’expérience tragique et le destin de tout un people. Brillant de mille facettes enveloppantes, la narration est en permanence un commentaire d’elle-même. Le récit mobilise le talent du poète lyrique, du conteur oriental, de l’historien politique et du leader communautaire, absorbant comme un polypier des dizaines d’histoires de vie tirées de l’histoire récente des Arméniens que la Roumanie a adoptés après l’exode consécutive au grand massacre de 1915, avant que le communisme ne les contraigne à s’exiler aux quatre vents. Alliage narratif de mémoires historiques et d’épopée, de documentaire et de fabulation à la manière du réalisme magique, la formule narrative est ingénieuse et paradoxale. Presque tous les personnages sont identifiables à leur modèle réel. Le livre des chuchotements est sans doute un des textes roumains les plus forts publiés après la chute du communisme; et probablement la plus précieuse reconquête de la mémoire et de l’histoire moderne des Arméniens.’
Het boek komt in aanmerking voor subsidiëring door het Roemeens Cultureel Instituut. Het boek der fluisteringen is of wordt vooralsnog vertaald in het Spaans, Italiaans, Hebreeuws, Armeens, Portugees, Duits en Servisch.
Varujan Vosganian
Cartea şoaptelor – Het boek der fluisteringen
[fragment 1, p. 1 t/m 18]
Een
Ik ben vooral dat wat ik niet hebben weten te vervullen.
Van alle levens die ik met me meedraag, als een tuil van bij de staarten verstrengelde slangen, is het leven dat ik niet heb geleefd het meest waarachtige. Ik ben een man die onzeggelijk op deze aarde heeft geleefd. En die evenveel niet heeft geleefd.
Mijn ouders zijn nog in leven. Dit houdt in dat ik nog niet volledig geboren ben. Zij ronden mijn schonkige schouders nog wat. Zij gieten nog ziel in mijn borst, die van omtrek verandert, zoals de amfora’s van de oude Grieken de vorm aannamen van de wijn die erin verdikte. Ze strijken mijn koperen gelaat nog wat glad.
Aangezien ik nog niet volledig geboren ben, is de dood nog ver. Ik ben zo jong, dat ik van de dood zou kunnen houden, als van een mooie vrouw.
Mijn eerste leermeester was een bejaarde engel. Wie van afstand naar ons zou hebben gekeken, achter in de tuin, zou een kind hebben gezien, gezeten aan de voet van een reusachtige notenboom. In werkelijkheid zat ik aan de voeten van die bejaarde engel, die mijn leermeester was. Zijn schaduw geurde naar jodium en onder het schrijven raakten mijn vingers besmeurd met zijn schaduwen, als geronnen bloed. Totdat ik niet meer wist wiens wond het was, de mijne of die van hem.
Van hem heb ik geleerd dat je naam geen enkele doel dient. Zelfs de mijne zou ik zonder hoofdletter kunnen schrijven, als de naam van een boom of van een wild dier. We spraken woordeloos met elkaar en het voelde goed, zoals wanneer je blootsvoets door het gras holt. Er blijven geen sporen achter, daarom is het geen zonde om over het gras te lopen. Ik trok mijn sandalen uit en rende over het landje aan de rand van de stad. Zijn schaduw viel over de mijne en we waren gelukkig.
Op een dag was de bejaarde engel verdwenen. Vol verwondering keek ik naar de notenboom, zijn dikke stam, de sappige bladeren. Op de takken streken vogels neer. In de herfst schudde de wind aan de takken en vielen er walnoten op de grond. Ik kraakte hun doppen en at ze op. Ze waren lekker. Ik at van zijn lichaam. Sindsdien heb ik niet meer naar de bejaarde engel gezocht. Alleen de jodiumgeur is achtergebleven en soms zie ik de zwart-groene sporen nog op mijn vingers. Een teken dat het vlees eronder nog niet is genezen.
Het Focşani van mijn jeugd was een stad met brede straten en indrukwekkende huizen. Naarmate ik ouder werd, werden de straten smaller en veranderden de huizen in stulpjes. Zo waren ze eigenlijk altijd al geweest, maar mijn kinderoog verleende er, zoals in feite voor de hele wereld gold, enorme afmetingen aan, louter voor mij. Ze hadden voor de funderingen van de huizen en voor de steunpilaren van de veranda’s geen balken van droog hout moeten gebruiken, maar levende boomstammen. Dan zouden de huizen en de mensen samen zijn gegroeid, dan zou de wereld niet slinken en de tijd niet ingekort worden.
Sinds de Tweede Wereldoorlog was er maar weinig veranderd. Onze wijk, aan de oostkant van de stad, had ongeplaveide straten en trottoirs, zodat de stoep slechts door een rij stenen, een handbreedte hoog, van de straat werd gescheiden. De schuttingen waren van hout, soms strak in de verf. Meestal bestonden ze echter uit ongelijke, over elkaar heen gespijkerde latjes, ongeschilderd of bestreken met witkalk. Aan de voet van schuttingen groeide kamille. Tegen de herfst plukte ik de welriekende bloemetjes. Mijn grootmoeder legde die dan in de tuin te drogen, voor de heilzame thee die er in de winter van werd getrokken. Zoals ze soms ook deed met de halve abrikozen en, iets later in het jaar, met pruimen en partjes appel. Gedroogd fruit was goed tegen de honger, want je moest er lang op kauwen. En als je geduld had en lang genoeg kauwde, kreeg het de smaak van vlees.
Onze straat was kort. Hij bestond uit slechts tien huizen plus, op de hoek, de muren van de ijsfabriek die we Frigorifer noemden. De naam van de straat was 6 Martie 1945. Op het straatnaambordje was daar een uitleg aan toegevoegd: ‘Installatie van de eerste democratische regering.’ Na de Revolutie van 1989, toen de mensen van de gemeente de regering van 1945 niet meer zo democratisch vonden, werd de naam van de straat gewijzigd in Jilişte, om redenen die mij onbekend zijn. In die periode heb ik een brief naar huis gestuurd. Deze kwam enkele maanden later aan, de posterijen hadden hem, omdat ze dat het meest voor de hand vonden liggen, naar het dorp Jilişte gestuurd, dat ook in district Vrancea is gelegen. Bloed stroomt trager dan de tijd. Daarom slijten gewoonten wat moeizamer. Veel geïnspireerder was een andere benaming gebleken, een paar straten verderop: Strada Revoluţiei, de Revolutiestraat. Na 1989 is die naam ongewijzigd gebleven. Iedereen kon daarbij denken aan de revolutie die hem het meest aansprak.
Wanneer het regende, ontstonden er bij ons in de straat stroompjes die in elkaar overliepen. Ik had het woord ‘bedding’ geleerd, waarmee deze werden aangeduid, en waar, tijdens de hondsdagen, de aarde zo rul was als poeder. Die beddingen heetten goten. Notendoppen dienden als schepen op de snelle stromingen in de goot. We stoppen er modder in, die zo warm was als deeg, waar we kalkoenenveren in prikten bij wijze van mast.
Slechts heel af en toe kwamen er auto’s voorbij. Wel verschenen er karren met aluminium melkbussen. Om de hoek was een punt waar melk werd ingezameld en verwerkt. Ze gingen in de rij staan, ieder met zijn melkbussen. Wij klommen op de disselbomen en lieten ons zo, in elkaar gedoken, een stukje vervoeren. Af ten toe was er een voerman die er de smoor in had dat de opbrengst van zijn melk was tegengevallen en ons een zweepslag op onze rug verkocht. Dan sprongen we van de kar terwijl hij met schrille kreten zijn paarden aanspoorde.
In die tijd waren er geen flatgebouwen in de stad, en de huizen met een bovenverdieping waren op de vingers van één hand te tellen. Een bovenverdieping en een zolder hadden de joodse winkels aan Strada Mare, de Grote Straat. Tijdens de aardbeving van 1940 waren de bovenste etages ingestort, waardoor de winkels in elkaar waren gezakt en boven op elkaar terecht waren gekomen.
De mensen in onze wijk hadden het niet zo breed. Wij hadden ook niets om mee te pronken, al waren mijn ouders gestudeerde mensen, ingenieurs. Kranten waren een uitzondering, het nieuws kregen we van de bioscoopjournaals en van de radiodistributie, een geel, aan de wand bevestigd kastje dat krakende nieuwsberichten, volksmuziek en patriottische koren ten gehore bracht. Toen mevrouw Maria, de overbuurvrouw, een televisie had gekocht, was dat een groot gebeuren bij ons in de straat. Het toestel, van het merk Rubin, was, zoals de meeste dingen in die tijd, van Russische makelij. Het had een scherm zo groot als een etensbord. Op zwoele avonden zette mevrouw Maria hem in de tuin en dan kwam iedereen kijken met een stoel van thuis. Ik viel al gauw in slaap, opgerold op mijn stoel, maar ik voelde me trots als een volwassene. Wat ik wel van het begin tot het einde in wakkere staat heb gezien, want ze werden overdag uitgezonden, waren de begrafenissen. Die van Leontin Sălăjan, de minister van Defensie, vervolgens die van Gheorghe Gheorghiu-Dej.* Urenlang vergaapten de buurtbewoners zich, eerder nieuwsgierig dan bedroefd, aan de begrafenisstoet, en onderwijl dronken ze pruimenjenever en praatten over voetbal. Van zulke begrafenissen hadden we er te weinig, vond mijn grootvader Garabet en vond vooral zijn zwager, Saha Şeitanian. Verder gebeurde er eigenlijk niet veel in onze buurt.
Inmiddels zijn de vuren verdwenen. Ze hebben zich knetterend teruggetrokken in de elektrische bedrading, ze hebben zich verstopt in de muren, ze hebben zich ingegraven in de aarde. Maar in mijn jonge jaren kwamen de vuren aan alle kanten tevoorschijn. De speelse vlam van een kaars of de rustige van een petroleumlamp. De rossige flakkering van gloeiende kolen in de kachel. Het vuur onder de stookketel waarin de jam pruttelde. Of het vuur onder de zwart uitgeslagen ketel waarin de teer kookte voor de kartonnen dakplaten of waarin de reuzel werd gesmolten voor de huishoudzeep. De verstikkende vlam van brandende bladeren in het voorjaar. De nachten waren toen langer en rijker, het licht fletser en de schaduwen levendiger. Veel spookverschijningen leken echt in het spel van de tegen de wanden geworpen schaduwen. Het vuur was een levend wezen, het zat naast ons aan tafel, het gleed met zijn schaduwen over onze schouders, het verlengde onze gezichten en verdiepte onze blikken. Veel verhalen die ontstonden op de beweeglijke wanden vertelden zichzelf verder nadat we ze hadden aangehoord. Daarom was mijn kindertijd vrijer en rijker. Zelfs voor de doden was het zo beter.
Andere deelgenoten van mijn kindertijd waren de geuren. Van alle zintuigen is de reukzin het meest beladen met herinneringen. Je hoeft maar een deur te openen waardoor een vertrouwde geur doordringt, en alle gebeurtenissen die verbonden zijn met dat gevoel dringen zich weer aan je geest op. Een heel leven zou beschreven kunnen worden op grond van zijn geuren. En ook mijn kinderjaren zouden zo verteld kunnen worden.
In de allereerste plaats de geur van warm deeg. Als ik mijn hele kindertijd in één soort materie zou moeten samenvatten, zou ik zeggen ‘deeg’. En wel het warme deeg in mijn grootmoeders beslagkom. Het groeide tussen de avond en de ochtend als een levend wezen. Het fascineerde me. En ik was zo verbonden met het leven dat erin oprees, dat ik voelde dat het pijn leed telkens wanneer het door handen werd gekneed. Ik was pas gerustgesteld wanneer ik zag hoe oma Arşaluis, Aurora op zijn Roemeens, en haar zuster Armenuhi het uitrolden en streelden, totdat het werd omgevormd tot dunne plakjes. De vrouwen spreidden op de bedden en op de tafels gladde lakens uit, waarop de dunne laagjes deeg voor de baklava werden neergelegd.
Tijdens die nachten sliepen we dicht opeen op de banken. Het bladerdeeg mocht door geen enkele beweging en geen enkel geluid gestoord worden. We slopen ertussendoor en spraken op een fluistertoon met elkaar. Af en toe werd grootmoeder wakker en dan smeerde zij ze in, bij het licht van de petroleumlamp, met olie vermengd met ei. ’s Ochtends werden ze, droog als plakjes klei en knisperend als opgeslagen hooi, op elkaar gelegd. Ertussen werden gestampte walnoten gestrooid en er werd warme siroop overheen gegoten. De randjes werden afgesneden, zodat de deegvellen de vorm zouden aannemen van de bakplaten die langzaam in de oven bruinden. ’s Zondags, bij het middageten, sneed opa Garabet de baklava met een lang mes en deelde hem, afgemeten, aan ieder uit.
Hetzelfde mes werd gebruikt bij het snijden van gedroogd rundvlees dat wij, met de Turkse benaming, pastırma noemden. Het vlees werd aan de dakrand van het huis opgehangen, zodat de wind het kon drogen en het licht het op smaak kon brengen. ‘Het lekkerste van alles,’ zei grootvader, ‘is de smaak van de wind. Je moet weten hoe je deze in het eten moet laten doordringen.’ Het gedroogde vlees werd geweekt in een brij genaamd tsjemen, die helemaal vanuit Jerevan was opgestuurd. Grootvader nam het mes ter hand en sneed het eerste plakje af. We liepen de tuin in en bekeken het rossige stukje vlees. ‘De maan is niet te zien,’ zei ik. En opa: ‘Dat is niet goed.’ Hij wette het mes op een vochtige steen en sneed nog een plakje af. Het dunne vlees, waar de manestralen doorheen schenen, kreeg een gelige kleur. ‘Nu is hij wel te zien,’ zei ik. ‘Dan is het goed,’ meende grootvader. ‘Het licht en de wind zijn het smakelijkst, in combinatie met elkaar. Zo is het fruit goed rijp en kun je het vlees behoorlijk snijden.’
De geur van fruit vulde het hele huis. Vooral met oud en nieuw, wanneer de Armeniërs nog in de periode van de kerstvasten zitten en in grote pannen anuş-abur wordt gekookt. Wat in vertaling ‘zoete soep’ zou betekenen. Het is een soort kolyva,* alleen wordt er door het gekookte graan allerlei fruit gemengd: vijgen, dadels, rozijnen, walnoten, sinaasappels. En daarop wordt kaneelpoeder gestrooid.
Dan de geur van schuilplaatsen. Verborgen plekjes, beschaduwde of zichtbare, maar die slechts zelden opengingen, en, nog verlokkelijker, de verboden plaatsen. Zonder schuilplaatsen om te verkennen is de kindertijd zinloos. Alleen wat verborgen is, is het werkelijk waard om gezien te worden. De geur van schuilplaatsen gaat gepaard met stilte, een stilte die ook haar eigen geuren heeft. Eerst de kasten met kleren waaronder, opgevouwen, de dekbedden en matrassen te vinden waren. In grootmoeders kast werden alleen zware kledingsstukken bewaard, naar mottenballen ruikende overjassen, waarvan sommige nog van mijn overgrootmoeder Heghine Terzian waren geweest. Van de kleren van mijn overgrootvader had niets bewaard kunnen worden, alles was achtergebleven in een straat in Constantinopel, waar je de zon over de Bosporus kon zien ondergaan. Ze waren op een nacht gevlucht, met de kleren die ze aan hadden en een paar knapzakken waarin ze haastig wat spullen hadden vergaard die gemakkelijker te verkopen waren. Er deed een gerucht de ronde dat in de haven, bij Pera, een stoomboot had aangelegd die Armeense vluchtelingen aan boord nam. Toen hij op dek was geklommen, te midden van de verdwaasde en angstige meute, viel mijn overgrootvader op zijn knieën. Daarna stortte hij neer met zijn gezicht omlaag, hand in hand met zijn twee dochters. Ze draaiden hem om, sloten zijn ogen en bevrijdden zich uit de omklemming van zijn handen. Ze hebben de wake bij hem gehouden, met een kaasstompje dat ze wie weet waar op de kop hadden weten te tikken. Hij was niet de enige die te midden van de verwarring en angst toen de geest heeft gegeven. Voordat ze in Constanţa aankwamen, beval de kapitein dat alle doden overboord dienden te worden gezet. Zo is de Zwarte Zee het deinende graf van mijn overgrootvader Baghdasar Terzian geworden.
Verder was er de kast met boeken. Opa Garabet kende vrijwel alle alfabetten: het Latijnse, het Cyrillische, het Griekse en het Arabische. ‘Zodat je je niet vergist,’ zei hij. ‘Het alfabet is het begin, daarom heet het ook alfabet. Je kunt overal beginnen, mits je het beginpunt kunt ontwarren.’ Mijn grootvader heeft de beginpunten ontward, maar heeft de eindpunten in de war gemaakt. Toen hij op zijn sterfbed lag, werden wij, de kinderen, geroepen om afscheid van hem te nemen. We konden niet verstaan wat hij zei. Hij leek rustig en sprak wijs. Maar we konden hem niet verstaan. Later heeft mijn vader me uitgelegd dat grootvader de talen door elkaar haalde toen hij met ons sprak: Perzisch, Arabisch, Turks, Russisch en Armeens. Alle streken die hij in zijn kindertijd en jeugdjaren had leren kennen, waren in hem tot leven gekomen. Zodat wanneer je je haast om te vertrekken en zomaar dingen grijpt die voorhanden zijn, net zo had hij, toen hij sprak alvorens deze wereld te verlaten, willekeurige woorden gegrepen.
Zo was het ook met de boeken. Er waren boeken in het Turks, in het oude, oosterse schrift, tekenhandboeken in het Engels en oude uitgaven van de Larousse. Dikwijls zat grootvader te bladeren in een schitterend boek, in het Duits, over tapijten. ‘Onze tapijten,’ vertelde hij me, ‘zijn als de Bijbel. Je vindt er alles in, van de oorspong tot het heden.’ We zochten allebei naar afbeeldingen van de wereld. ‘Dit is het oog van God,’ raadde ik, en opa Garabat stemde in. ‘En dat is een engel.’ ‘Dat is geen engel. Hij is al oud, dan moet het een aartsengel zijn. Misschien Rafaël, die is de oudste van allemaal.’ Ik had hem willen vertellen over de bejaarde engel in de tuin, die ’s zomers naar jodium rook en ’s winters zijn blote voeten met sneeuw waste. Ik begreep echter dat mensen die hun kindertijd niet zonder angst hadden kunnen beleven, geen kans hadden gehad om bejaarde engelen te ontmoeten. En grootvader kwam bij de bladzijde waar hij het trotst op was: het door hemzelf geweven tapijt, het kleed dat was uitgespreid in onze kamer, die van de kinderen, en dat nu in de kamer van mijn dochter Armine ligt. ‘Het is belangrijk,’ zei grootvader, ‘om een stevig dak boven je hoofd te hebben en een dik tapijt onder je voeten.’ Ons Perzische tapijt was compact, met de hand vervaardigd, met veel knopen. ‘Een tapijt moet zo dik zijn,’ legde grootvader uit, ‘dat wanneer je het oprolt, het evenveel weegt als een boomstam van dezelfde dikte.’ Ons tapijt heeft de geschiedenis doorstaan, en niet zomaar. In augustus 1944 kwam het Sovjetleger de stad Focşani binnen. Drie officieren werden bij ons thuis ingekwartierd. Ze hadden de hele nacht zitten drinken en waren ladderzat geworden. Mijn grootvader en zijn zwager, Sahag Şeitanian, de echtgenoot van tante Armenuhi, bleven wakker tot de dag aanbrak en hielden de wacht, zodat ze konden opspringen iedere keer dat een van de Russen een brandende peuk op het tapijt liet vallen. Tussen de stompen en de scheldkanonnades door waren Garabet en Sahag erin geslaagd om alle peuken te verzamelen. Er waren nauwelijks twee of drie schroeiplekjes overgebleven, die vandaag de dag nog te zien zijn. Grootvader had een regelrecht Kantiaanse visie op het leven: het dak boven je hoofd, het altaar voor je ogen en het zachte tapijt onder je voeten.
Het was een onmogelijke opgave om alle boeken in huis te lezen. Maar ik kon ze thuisbrengen aan hun geur. Opa Garabet had me geleerd om boeken zo te leren kennen. Een goed boek rook op een bepaalde manier. Strak gebonden in zijn leren banden rook het bijna menselijk. Ik betrap me er soms op dat ik in boekwinkels de boeken besnuffel. ‘Alsof ik blind ben,’ zei ik. ‘En wat dan nog,’ zei opa Garabet met een schouderophalen. ‘Van alles wat je bent, zijn je ogen het minst van jou. Het licht is als een vogel die zijn eieren in een vreemd nest legt.’
Ik heb boeken eerst begrepen door ze te betasten en eraan te ruiken. Ik was niet de enige. Tussen de bladeren trof ik soms een rossig insect aan. ‘Maak hem niet dood,’ hield grootvader me tegen. ‘Het is de boekenschorpioen. Iedere wereld moet zijn schepsels hebben. Het boek is ook een wereld. Alle schepsels zijn voorbestemd zich te voeden met de zonden en de fouten van de wereld, dat geldt ook voor deze schorpioen: hij verbetert de fouten in de boeken.’ Lange tijd heb ik hem niet geloofd. Nu ben ik echter de verteller, een soort klerk die oude fouten wil verbeteren. Ik ben dus een boekenschorpioen.
En dan is er nog een geur die mijn kindertijd heeft voortgestuwd, te midden van de aroma’s van de Oriënt: het boeket van koffie. Dit ambacht hadden mijn grootouders meegebracht van hun geboortegrond Anatolië. Het zetten van koffie was voor hen iets natuurlijks, zoals een ambachtsman aan de smaak kan afleiden of klei wel of niet goed is om mee te modelleren. Ze deden het met distinctie, vol minachting voor hen die koffie dronken zonder de zin ervan te doorgronden.
In de eerste plaats kochten mijn grootouders nooit gebrande of – God verhoede! – gemalen koffie. We hadden een koperen steelpan, zwart uitgeslagen van het vele branden. De deksel was voorzien van een speciaal mechanisme dat met een hendel in beweging werd gebracht en ervoor zorgde dat de bonen zo gelijkmatig mogelijk werden geroosterd. Deze operatie, op een laag vuur, nam ongeveer een uur in beslag. Het enige wat wij kinderen kregen waren geroosterde bonen. We sabbelden erop alsof het snoepjes waren en wanneer ze hun smaak kwijtraakten, kraakten we ze tussen onze tanden en kauwden erop.
Dan volgde het malen. Ook vandaag de dag kom ik, in snobistische verzamelingen, nog dergelijke cilindervormige koffiemolens tegen, met hun puntige deksel, verguld en versierd met arabesken, op een hoop gegooid met andere nutteloos geworden voorwerpen, zoals samowars of strijkijzers met kooltjes. In mijn kindertijd was de koffiemolen een lid van het gezin. Het malen nam geruime tijd in beslag. De ouderen verzamelde zich reeds in de tuin. Grootmoeder legde zachte kussens op de houten banken, met smeedijzeren armleuningen. Ze maalden om beurten, terwijl ze in gedachten tot honderd telden. Degene die aan het malen was, bemoeide zich niet met het gesprek om niet de tel kwijt te raken. Als hij niettemin tussenbeide kwam, betekende dit dat het een serieuze aangelegenheid betrof. Het is alsof ik hen nog zie onder de abrikozenboom in de tuin: opa Garabet Vosganian, bedaard, terwijl hij zijn blik over de verzamelde mensen liet glijden, Sahag Şeitanian, zijn zwager, ongeduriger en meer heetgebakerd, Anton Merzian, de schoenlapper, die uitentreuren hetzelfde verhaal opdiste over hoe hij zijn vrouw Zaruhi had geschaakt bij haar ouders in Panciu. Voor de verteller was de tocht van twintig kilometer naar Focşani, die hij zo’n veertig jaar geleden te paard had afgelegd, iets wat de vlucht naar Egypte naar de kroon stak. Hij smukte het iedere keer op, aangezien Zaruhi, die zo doof was als een kwartel, hem toch niet kon tegenspreken. Dan was er Krikor Minasian, de andere schoenlapper aan Strada Mare, met wie Anton Merzian in een heftige concurrentiestrijd was gewikkeld. Verder Ohanes Krikorian en Arşag de rosse, de klokkenluider van de Armeense kerk, de vogelvanger. En om hen heen het vrouwvolk, naar eau de cologne ruikende dikkertjes met hun handen in hun schoot gevouwen. Arşaluis, mijn grootmoeder, haar zuster Armenuhi, en verder Paranţem, Zaruhi en Satenig.
Het malen was klaar na ongeveer vijftienhonderd omwentelingen. De molen werd warm. Totdat je hem niet meer vast kunt houden, zei grootvader. Totdat de koffie zo fijn is als zand, voegde hij eraan toe. Maar dat alleen wanneer Sahag Şeitanian er niet bij stond. Die hield niet van zand.
Soms kreeg ik ook de molen toegestopt om aan de hendel te draaien. Het messing werd verhit en door de kieren drong de koffiegeur naar buiten. Af en toe strooide grootvader een beetje in zijn handpalm en snoof, met de air van een rechercheur die een drugsvangst monstert. Dikwijls gaf grootvader opdracht tot nog een ronde en de oudjes legden zich erbij neer, want het welriekende poeder diende zo fijn mogelijk te worden.
Vervolgens werd de koffie gezet. Het koffiekannetje had de vorm van een afgeknotte kegel. ‘Zodat de stoom zich ophoopt en begint te fluiten,’ zei grootvader. ‘Hoe meer stoom er zich ophoopt, hoe meer smaak het brouwsel krijgt.’ Af en toe werd de inhoud geroerd. Daar bestonden ook vast regels voor: het kannetje stond op het vuur totdat de vloeistof aan de kook dreigde te raken. Dan werd de schuimlaag eraf geschept en in een van de kopjes gedaan. Vervolgens werd het kannetje teruggeplaatst op de vlam. En zo telkens opnieuw, totdat de koffie even vaak aan de kook was gebracht als dat er kopjes klaarstonden. Ik stond graag naast grootvader terwijl hij koffie zette. Hij was handig en wijs. Hij vertelde me dan de meest zonderlinge dingen. ‘Terwijl je koffie maakt,’ zei hij, ‘mag je alles zeggen wat in je hoofd opkomt. Alles wordt je vergeven. Wie samenkomt rondom de koffie, mag geen ruzie maken. Daarna moet je het zelf weten.’ Het was zijn moment van vrijheid. Dan had hij veel weg van mijn bejaarde engel.
Nu over de kopjes. Als veel andere vergeten gewoonten is ook die van het drinken van koffie teloorgegaan. Tegenwoordig wordt er uit allerlei kopjes gedronken, vaak zelfs uit grote mokken, bestemd voor water. Er wordt oploskoffie gedronken, die geen drab achterlaat, laat staan een schuimlaagje. ‘Het schuimlaagje,’ legde grootvader uit, terwijl hij met het lepeltje roerde, ‘is het blazoen van de koffie.’ De in een kring geplaatste stoelen, klaar voor het geklets, zijn tegenwoordig niet langer zacht. De mensen drinken hun koffie in alle vroegte, als ze de slaap nog niet helemaal verjaagd hebben en niet praatgraag zijn. En voor velen is de koffie slechts een voorwendsel om een sigaretje op te steken.
De koffiekopjes waren klein, fraai gekleurd en hoorden bij het schoteltje. Het koffiekannetje werd op zijn Turks een gezve genoemd, en de kopjes fingean. Het hele instrumentarium droeg Turkse namen en zelfs de koffie werd soms in het Turks als khaife aangeduid. Omdat mijn grootouders dezelfde dingen vroeger bij hun voorouders hadden gezien aan de oever van de Bosporus of de Eufraat, vermengden de herinneringen en de woorden zich waarschijnlijk.
De ouderen van mijn kindertijd dronken hun koffie om zes uur ’s middags. De ceremonie van het bereiden geleide het gesprek al in een kalm spoor. Ze verschaften zich een beetje ruimte tussen de kussens. Ongehaast dronken ze hun koffie, luidruchtig slurpend en genoeglijk smakkend. Het was het ogenblik waarop, de zwerftochten, de met bloed bezoedelde herinneringen en het verstrijken van de tijd ten spijt, de wereld onveranderd en vredig leek, en de gemoederen gerust.
Grootvader pakte zijn viool en speelde totdat het koffiedik in de kopjes was opgedroogd en allerlei kronkelende paden vormde. Grootmoeder las geen koffiedik, want grootvader zei dat wat geschreven was, toch moest gebeuren. En kommer en kwel horen bij de wereld als gras of regen. En als je probeert de voorzegde narigheid te vermijden, gebeurt deze toch, alleen schuif je hem dan af op de schouders van een ander. En waarom zou je, naast alles wat je al te verdragen hebt, nog een extra zonde op je nemen?
[fragment 2, p. 110 t/m 125]
Wanneer van verre de klanken van Mantu’s tuba te horen waren, liepen de mensen te hoop in de tuinen. En wanneer de lage trillingen van de tuba vergezeld gingen van de klaagzang van de trompet en de bugels, stonden de mensen al aaneengerijd langs de stoep van Strada Tăbăcari om de stoet te zien.
Strada Tăbăcari, de Looiersstraat, verbond de ringweg met de Câmpineanca-barrière. Voorbij de barrière was het kerkhof. De enige weg waarover de begrafenisstoeten passeerden. De overledene werd thuis of uit de kerk opgehaald. De man, tot dan toe ziek en dikwijls genegeerd of in de kracht van zijn leven en door een onverwachte dood weggerukt, kwam plotseling in het middelpunt van de aandacht te staan. Er werd met belangstelling, soms met genegenheid over hem gesproken, hij werd gewassen, netjes aangekleed, van hier naar daar gedragen en overal begeleid, als een bruid.
In onze buurt woonden enkele vrouwen op leeftijd, meestal zelf ook weduwen, die hier verstand van hadden. Ze kwamen uit het niets tevoorschijn, soms zelfs al voordat de zieke de geest had gegeven. Die vrouwen brachten angst teweeg en de mensen hielden hen vanuit hun ooghoeken, vanachter de schuttingen, in de gaten. Ze hadden een onfeilbaar instinct, ze waren in staat om al van tevoren de zoetige geur van de dood op te snuiven, ze lieten zich nergens door verrassen. Wij haalden adem in het ritme van de jaargetijden en konden zo de rauwe geur van de lentebloemen opsnuiven, de zware, droge aroma’s van de zomer, de stoom van de stookketels met jam, pruimenbrandewijn of bouillon in de herfst en vervolgens de metaalachtige geur van de sneeuw. Voor hen bezat de wereld echter maar één jaargetijde, met een mengeling van verstikkende geuren. Soms was er een gerucht: ‘Vandaag is madame Stavarache door onze straat, door de Ghioceilor, langsgekomen. Arme Temelie, de timmerman, dat betekent dat hij het niet lang meer maakt.’ En inderdaad, de oude man die onze houten zwaarden glad schuurde, zodat we struikrovertje konden spelen, en die zich ter gelegenheid van Heldendag mooi aankleedde, zijn medailles op zijn borst speldde en naar het standbeeld van de helden tegenover de rechtbank liep om daar een bloem te leggen, overleed korte tijd later. Een andere keer weeklaagden de buurvrouwen bij ons in de straat over Miţu, de bejaarde mevrouw Rădulescu. Want de weduwe Nistor liep om de oude kerk te drentelen, de kerk van de Heilige Dumitru, op de binnenplaats waarvan de familie Rădulescu woonde. De weduwe Nistor had gelijk, ze had de geur van dunner wordend bloed opgevangen. Miţu leefde echter nog een jaar of tien, en ze bleef haar Carpaţi-sigaretten roken en hoesten als een vent op de sofa onder de lindeboom. Degene die stierf was haar zoon, meneer Rădulescu, die ik dagelijks op weg naar zijn werk langs zag komen fietsen, zijn broekomslagen vastgezet met clips zodat ze niet vast zouden komen te zitten in de trappers.
De mensen kregen zelfs tranen in hun ogen wanneer de zieke lange tijd bedlegerig was geweest en erg had geleden of uitzonderlijk oud was. Wanneer het geen onverwacht sterfgeval was en het niet ging om iemand in de kracht van zijn leven, weeklaagden zij die de wake hielden eerder om zichzelf.
Voor Mitică, de gek, die in een hut van modder en stro woonde aan Strada Petru Maior, was iedereen bang. Hij had een gerimpelde kop, alsof klauwen er voren in hadden getrokken en de schrammen nooit helemaal waren genezen. Zijn ogen waren waterig, de iris was opgelost in het oogwit, hij was niet blind, maar zag met zijn hele oog tegelijk, zoals de standbeelden van de oude Grieken. Hij droeg steevast dezelfde kaki legerbroek, ’s winters trok hij het uniformjasje erbij aan. Hij had die nog uit de tijd van de oorlog, in die kleren was hij met groot verlof gegaan en waarschijnlijk, mits hij zich niet als een wolf zou verschuilen wanneer zijn tijd was gekomen, zou hij er ook in begraven worden. Zijn handen waren eeltig van het houthakken, want daar leefde hij van. De buren vonden het maar eng om hem zo te zien, met de hakbijl in zijn hand. Ze spraken een prijs met hem af en vervolgens hielden ze hun kinderen binnenshuis, met de deuren op de grendel. Ze zetten eten voor hem neer op een boomstronk, hij at wat hem werd voorgezet, vroeg niets extra’s, zelfs geen zout als de bonen te flauw waren, ook geen ui als ze te zoet waren, ook geen water als ze te zout van smaak waren. Wanneer hij dorst kreeg, dronk hij rechtstreeks uit de ton die onder de regenpijp was geplaatst om regenwater voor de was op te vangen. In de winter schepte hij wat sneeuw in zijn handpalm en nam er happen uit alsof het een appel was. Hij liep met een neerhangende rechterschouder, lachend vanonder de bochel op zijn rug, op de andere schouder, waarover hij zich verwonderde. Hij lachte altijd, vet en hees, vreugdeloos, alsof hij een brok in zijn keel wegslikte. Zo was hij sinds Stalingrad, vertelde Temelie. Er was een Russische tank over hem heen gereden: hij was weggerend en in een kuil in de sneeuw beland. Boven zijn hoofd had het geratel van de rupsbanden geklonken, maar die hadden hem alleen verpletterd met hun geluid en met doodsangst. Hij had zich lange tijd schuilgehouden, ze dachten dat hij dood was en hadden zijn spullen ingepakt met het voornemen die naar huis te sturen. Toenmaals heeft hij de gewoonte opgevat om sneeuw te eten, niet om hem op te likken, zoals wilde dieren, maar hem gewoonweg te verslinden door erop te kauwen en stukjes ijs tussen zijn tanden te vermalen, alsof het dunne botjes waren. Ze gingen samen, op Heldendag, naar het standbeeld tegenover de rechtbank, Temelie met zorg gekleed, met een gestreken wit overhemd en een zwarte stropdas, zijn onderscheidingen aaneengerijd op zijn borst, en achter hem, huppelend en lachend, Mitică, gekleed in zijn morsige soldatenuitmonstering. De timmerman en de houthakker, de helden van Stalingrad. Temelie legde een bloem aan de voet van het standbeeld en bleef roerloos staan met neergeslagen ogen. Mitică las schreeuwend – en hij doorspekte zijn woorden met zijn gelach – voor de zoveelste keer de tekst op het plakkaat, waarin de mannen die op het slagveld waren gesneuveld werden geroemd. Maar hij liet het daar niet bij en las vervolgens ook de regels die de communisten intussen met specie hadden afgedekt en die hij, met zijn door Russische tanks vermorzelde ziel, uit zijn hoofd kende. ‘Tijdens de heilige oorlog,’ schaterde Mitică, ‘ten tijde van het glorieuze koningschap van koning Carol I, de grondlegger, en van koning Ferdinand, de vorst van de eenwording van het land.’ Toen de mannen van de militie hadden geprobeerd hem het zwijgen op te leggen, had hij zich uit alle macht verzet. Terwijl ze hem meesleurden over het plein, had hij een mengeling van geschreeuw en geschater uitgestoten, zodat ze er de voorkeur aan hadden gegeven hem maar de hele tekst tot het einde toe te laten voorlezen, zowel de zichtbare als de afgedekte letters. Vervolgens ging Mitică een borrel halen bij de bodega Tăbăcari en dook hij ergens weg achter een schutting, waar hij lange tijd zat te drinken zodat hij wat warmte in zijn borst kreeg, om te bewerkstelligen dat de sneeuw in zijn binnenste een beetje zou smelten. Hij kon nauwelijks nog op zijn benen staan en zijn schaterlach stokte in zijn keel. Hij posteerde zich voor de voorbijgangers, die hij met zijn wijsvinger in hun borst prikte. ‘Je gaat dood!’ brulde hij. Vervolgens tegen een ander: ‘Je gaat dood! Je gaat dood!’ Ik vertelde dit aan mijn grootvader. ‘Hij heeft gelijk,’ gaf deze mij ten antwoord. ‘Van ons allemaal is Mitică de gek degene die uiteindelijk gelijk heeft.’ Zo heb ik begrepen dat mensen de dood vrezen, juist omdat hij echt is.
Dan werden die vrouwen ineens nuttig. Ze wisten alles. Hoe de zwarte doek boven de voordeur moet worden opgehangen. Hoe de gordijnen moeten worden gesloten zodat het zonlicht niet op het gezicht van de dode zal vallen, om het niet te verpesten. Hoe de spiegels moeten worden afgedekt met een zwarte sluier en dat als iemand van de familie van de dode in de spiegel zal kijken, deze ook binnen de zeven jaar door de dood zijn graf in zal worden gesleurd. Hoe je je handen of je gezicht niet moet wassen, dat je, wat de vrouwen aangaat, je haar niet moest kammen of, wat de mannen aangaat, geen scheermes over je wangen moest halen, zodat de dood geen kruimels op de grond zou achterlaten. Hoe het lichaam van de dode moest worden gewreven met in wijwater gedompelde doeken en met nardusolie onder de oksels, bij de slapen, op het voorhoofd en op de buik, om te ontdopen wat gedoopt was, zodat het graf zich echt helemaal zal sluiten en de ziel niet over de aarde zal dolen. Hoe het muntje tussen zijn vingers moet worden gestopt, om daarmee de veerman te betalen, en hoe de handen op de icoon samengevouwen dienen te worden zodat hij kan getuigen van zijn vroomheid bij het Grote Oordeel. Hoe de benen bijeen moeten worden gebonden zodat het lichaam recht ligt tijdens de dienst, en vervolgens moeten worden losgemaakt, zodat niets hem, smachtend, zal binden aan deze wereld en hij vrij zal zijn op de andere wereld. Hoe tijdens de wake de kaarsen moeten worden neergezet, hoe de wik moet worden afgeknipt, zodat er niet te veel licht zal zijn, maar ook niet te veel schaduw, zodat er niet te veel helderheid, maar ook niet te veel walm zal zijn. Hoe het graf moet worden gesloten, als beddengoed, hoe er kluiten op de kist moeten worden gegooid en er wijn over moet worden uitgegoten, hoe de kolyva wordt uitgedeeld, hoe de bezittingen van de dode en schone handdoeken, met een muntje in de punt geknoopt, worden weggegeven, hoe er geweeklaagd moet worden en hoe men, zelfs in deze omstandigheden, elkaar toewenst: ‘Moge God jou zijn levensdagen schenken!’ Dat wil zeggen: de dagen waarvan de dode niet meer heeft mogen genieten.
Dit alles dient een doel. De ceremonieën, de tradities zijn bedoeld om de pijn te verzachten. Je wordt door je taken in beslag genomen, je let erop dat alles gaat zoals het moet, op wat anderen zeggen, je aandacht voor je eigen verdriet verslapt. Dan komen die weduwen die de dood ruiken van pas, want zij weten hoe het hoort. Voor een man, voor een vrouw, voor een onverwacht sterfgeval of een onvoorbereide dode, voor een ongehuwde jongeling en voor een ongetrouwd meisje. De ontzielde mens, die tot op dat moment een nietig, onopvallend leven heeft geleid, kent zijn moment van glorie. De weduwen zorgen ervoor dat voor sommigen hun begrafenis zelfs de allerbelangrijkste, ook al is het de laatste, gebeurtenis van hun leven is. Gedragen in een lijkwagen, voor hen met geld, of in een kar, met de doodskist netjes geplaatst op een dik en levendig gekleurd tapijt, gevolgd door een stoet mensen die, wanneer ze de samenscholing op de trottoirs zien, menen dat zij, in hun zwarte kleren, even belangrijk zijn als de dode, met daar achteraan de toevallige meelopers, de nieuwsgierigen, de bedelaars, de armoedzaaiers en de klaplopers, die geknoopte handdoeken ontvangen en kolyva op kartonnetjes waarop normaal gesproken worstjes worden geserveerd. Voorop, aan het hoofd van de stoet, ernstig en onheilspellend, de koperblazers van Mantu’s fanfare. De fraai glanzende instrumenten, oorverdovend en tegelijkertijd klaaglijk, verstomden ineens wanneer de stoet stilhield voor een kerk en de priester wierook verspreidde naar alle vier de windstreken.
Mantu was een klein opdondertje. Hij zeulde zijn tuba traag met zich mee en drukte zich ertegenaan als een slak tegen zijn huis. Onder het lopen draaide hij zich om en dirigeerde met zijn wenkbrauwen de trompetten, bugels en saxofoon. Zijn broer, de kleine Mantu, Budiştenau, Frunză, de gebroeders Câlţea en Fofoc. Gekleed in zwarte broek en wit overhemd in de zomer, en in de winter in gewatteerde jassen en over hun oren getrokken bontmutsen, terwijl ze een blauwige wolk achterlieten van hun ademhaling, die gezwollen was van de opbollende wangen en de in mondstukken gestoken lippen.
Begrafenissen vonden plaats rond het middaguur. Vanuit de verte was allereerst Mantu’s tuba te horen. Aanvankelijk als pressie in de oren, alsof de lucht plotseling zwaar werd en op het trommelvlies drukte. Vervolgens als een verre donder die ergens, voorbij de stroombedding van de Milcov, wegebde. De mensen keken uit het raam, door de rammelende ruiten. Op een onbewolkte dag wisten ze dat het Mantu’s tuba was. Als de lucht bedekt was, wachtten ze op het andere teken, namelijk het gejammer van de trombone en het geschreeuw van de trompetten.
Wanneer hij ons huis passeerde, drukte de door Mantu’s trechter voortgestuwde lucht op de slapen, op alle dunne en doorzichtige dingen. ’s Winters werd de rook in de schoorstenen erdoor aan het wervelen gebracht. Met Kerstmis kwamen de feestvierders met de grote trom voorbij. In het ritme van de trom dansten de feestvierders met berenkoppen of geitenkoppen door de straten. Ik weet niet hoe de kop eruitzag van het reusachtige schepsel dat in het ritme van Mantu’s tuba boven de stad danste. Maar al was het dan onzichtbaar, het bestond toch, want wanneer het langskwam, deed de rook vergeefse pogingen om op te stijgen. De rook verspreidde zich tastend over de tuinen en de huizen, op zoek naar een kier waardoorheen hij kon ontsnappen en opstijgen. De dood ketende de rook vast aan de aarde. Wanneer Mantu’s tuba zich verwijderde en ook de sporen van de boven de stad dartelende dood waren verdwenen, begon de rook weer op te stijgen naar de hemel. Dan kreeg de lucht de helderheid die altijd op de dood volgt.
Ik zag hem ’s middags bij ons aan de poort. Hij wiste zijn voorhoofd af met de handdoek die hij bij de begrafenis had gekregen, die hij vervolgens in zijn zak propte. De geknoopte punt liet hij naar buiten hangen. Hij zette zijn tuba tegen de muur – die stakker is ook moe, zei hij – daarna ging hij zitten, ineengekrompen en paars aangelopen van al dat blazen. Hij stak een sigaret op, inhaleerde diep, om opnieuw vertrouwd te worden met de rook die hij had opgesloten. Hij nipte aan zijn glas wijn, likte met zijn blauw uitgeslagen tong over zijn lippen en keek naar opa, met een benepen ongeduld.
‘De trombone,’ zei opa Garabet.
Of, een andere keer: ‘De trompetten…’
‘Wat is er met de trompetten?’ vroeg Mantu met schorre en matte stem, als de lucht die, tijdens de slaap, door de trechter van de tuba stroomde.
‘Bij de mars van Chopin hebben ze te vroeg ingezet. Ze hadden de bugels nog een kwartnoot hun gang moeten laten gaan.’
‘Nietes, ze waren precies op tijd. Ik heb ze een teken gegeven.’
Grootvader schonk hem nog een glas in vervolgens liep hij het huis in. Mantu wist dat nu het moeilijkste moment ging komen. Hij maakte zich nog kleiner op de stoel, als een kat. Hij wist wat er stond te gebeuren en als het had gekund, zou hij zich uit de voeten hebben gemaakt. Maar dat kon niet. Hij en zijn tuba waren onafscheidelijk en hij kon onmogelijk rennen met het instrument op zijn rug. Hij was tuba begonnen te spelen op zijn veertiende, toen de oude Mantu vond dat, aangezien zijn borstkas al twee handbreedten wijd was, zijn longen genoeg ontwikkeld waren voor het blazen. Wanneer hij niet speelde, hield hij de tuba binnen handbereik en poetste hij hem met zijn mouw, totdat hij blonk als een spiegel. Ze liepen altijd samen op, de man en de tuba, met trage passen en gebogen schouders. In feite had Mantu, sinds de dag dat de oude hem met zijn handpalm had gemeten en had besloten dat hij in staat was op het instrument te blazen, nooit meer gerend.
Nu had hij echter zin om op de vlucht te slaan, maar hij had al te veel tijd voorbij laten gaan en hij wist niet zo goed hoe hij het moest doen zonder te struikelen. Want het onvermijdelijke werd bewaarheid: grootvader keerde terug met de partituur en opende die op tafel. Vervolgens wees hij het aan.
‘Hier!’ stelde hij vast.
Mantu boog zich over het vel heen en keek naar de plaats die de vinger aanwees. Het enige wat hij zag waren kriebelige en priegelige zwarte tekens.
‘Dan zal het wel zo zijn,’ fluisterde hij. ‘Als u het zegt…’
Een andere keer was er iets mis met de trombone. Of met de bugels. Grootvader spreidde de partituren uit alsof het vellen bladerdeeg waren. Hij liet zijn vinger erover glijden. De Symphonie fantastique van Hector Berlioz. Het Requiem van Fauré. De Messiah van Händel. Mantu kneep zijn ogen samen tot spleetjes boven de met torren bezaaide bladen.
‘Welke is de tuba?’ wilde hij weten.
‘De onderste,’ antwoordde grootvader, en hij wees op de ruimte met de minste torren die voor je ogen krioelden. ‘Zie je wel, hier en daar een cirkel zonder staart of, nu eens lager, dan weer hoger, een pijlpunt.’
‘Krijg nou wat!’ riep hij verwonderd uit. ‘Ben ik dat?’
En met een blik op zijn glanzende tuba: ‘Hij lijkt niks te wegen! Terwijl je in werkelijkheid je ziel moet uitwringen om die in de trechter te proppen, zodat er geluid uit komt…’
Maar grootvader was nog altijd niet te spreken over de trompetten. Mantu liet hen allemaal opdraven, de gebroeders Câlţea, de trompettisten, vervolgens de kleine Mantu, Budişteanu, Frunză en Fofoc. Ze gingen op krukjes zitten in de tuin, waar ieder van hen, met paarse lippen en van binnen roze en van boven eveneens paarse vingers, aan zijn lepel met sorbet zat te trekken. Grootvader liet de ebonieten plaat ronddraaien, veegde er lichtjes over met de mouw van zijn jasje en legde hem vervolgens op het apparaat. Hij tilde de arm van de pick-up op, hief een waarschuwend vingertje om stilte te vragen en zette de naald behoedzaam op de juiste plek neer. De zigeuners keken reikhalzend toe. Boven het dixielandritme uit doorkliefde de trompet van Louis Armstrong in een plotselinge opwelling de lucht. Grootvader knikte met zijn hoofd en zijn hand, op het ritme van de muziek. Ze luisterden geboeid. Toen het voorbij was, brachten ze gegeneerd hun hoofd weer terug op zijn plaats.
‘Hebben jullie die hoge tonen gehoord?’ vroeg opa Garabet.
Natuurlijk hadden ze die gehoord. Meedogenloos vervolgde grootvader: ‘Hoe hoog het geluid ook is, het klinkt vol en open. Waarom kan het bij hem wel en bij jullie niet?’
‘Als die lui goed te eten krijgen…’ waagde de oudste Câlţea.
‘Krijg jij dan niet goed te eten? Moet je zien wat een pens je hebt…’
‘Dat is van de narigheid…’ jammerde de zigeuner. ‘En van de zonder kauwen doorgeslikte klonten. Daar groeit mijn buik van… Van het brood en van de narigheid. Maar hier, zoals ik het zie, is het een kwestie van longen, niet van buik.’
‘Ik geloof eerder dat het een kwestie van verstand is,’ wierp grootvader tegen.
‘Des te erger,’ hield de zigeuner voet bij stuk. ‘Brood maakt dom.’
‘Eet dan maïsgries,’ diende Budişteanu hem van repliek.
‘Maar maïsgries vult niet…’ sputterde Câlţea tegen, toen hij zag dat niemand zijn kant koos.
Een andere keer zie ik hen op het braaklandje aan Strada Patriei, de Vaderlandstraat, in de zigeunerwijk. Gezeten in een kringetje, met zakdoeken om hun zweterige nekken, met ingevallen of opbollende buiken, afhankelijk van ieders welvaren. Alleen Mantu is blijven staan, hij steunt zijn tuba en leunt daar tegelijkertijd op en trekt aan zijn sigaret. Tegenover hen zit grootvader aan tafel en geeft uitleg. En uitgespreid op tafel – waardoor het groezelige en zoute zweet de muzikanten nog meer uitbreekt – de partituren.
‘De negende symfonie van Beethoven,’ verkondigt grootvader. ‘Het derde deel. Andante.’
‘En weer van die zwarte dingen?’ vroeg Câlţea angstig.
‘Hou je mond, stomkop,’ siste achter hem Budişteanu, die een beetje muziek had gedaan aan de Volksschool voor de kunsten en de enige was die iets van noten kon maken, mits hij ze een voor een spelde, zoals hij de krant las.
‘Als het niet van die zwarte dingen zijn,’ probeerde Câlţea het recht te zetten, ‘dan gaat het misschien wel…’
‘De tuba gaat tegelijkertijd de contrabassen en de grote trom spelen. De trombone – de cello’s en de hoorns. De bugel – de blazerspartij. En de violen spelen de melodie van de violen.’
‘Hoezo dat?’ riepen de gebroeders Câlţea verontwaardigd uit. ‘Violen zijn voor muzikanten. Wij zijn geen muzikanten…’
‘Wat zijn wij dan wel?’ vroeg Fofoc.
‘Muzikanten lopen bruiloften af,’ legde Budişteanu uit. ‘Wij spelen op begrafenissen. Daarom mogen wij ons musici noemen.’
‘Hou je mond effe, musicus!’ blafte Mantu hem toe, terwijl hij nog een sigaretje opstak.
En tegen grootvader: ‘Vertel het maar, chef!’
Mantu sprak niet veel. Omdat hij altijd met gezwollen kaken op zijn tuba aan het blazen was, konden zijn lippen de woorden maar moeilijk vormen, alsof ze er iedere keer weer aan moesten wennen. Hij had niet genoeg adem om een lange zin van begin tot eind uit te spreken. Dan verslikte hij zich in een hoestbui en liep hij paars of eerder helemaal zwart aan.
‘Als jij niet stopt met roken,’ adviseerde grootvader hem, ‘zul je een dag net zo uitdoven als de sigaret die je weggooit. Tenzij je gewoon alle kracht verliest en sterft met een sigaret aan je lippen geplakt.’
Mantu haalde zijn schouders op. Zijn ademhaling ging fluitend, alsof hij in een mondstuk blies. Hij was het niet gewend om zomaar voor niets te ademen.
‘Het is zo mooi geweest,’ zei hij. ‘Ik heb genoeg geblazen voor drie levens.’
Mantu sprak onverschillig over de dood. Dertig jaar had hij die in alle mogelijke verschijningsvormen gezien, op alle leeftijden en gekleed in verschillende weeklachten en gebruiken. ‘Tijdens de oorlog,’ herinnerde hij zich, ‘leek het wat rustiger te zijn. De dood sloeg ver weg toe.’ Verder was hij niet bang. Op iemand als hij, voor wie het leven en het uit alle macht, vanuit het diepst van je ingewanden, in een instrument blazen één en hetzelfde ding waren en ademhalen een regelrechte verplichting was, kwam de dood veeleer als iets aanlokkelijks over.
‘Ik blaas genoeg,’ concludeerde hij. ‘Laat me dan af en toe ook eens een beetje zuigen.’
‘Aldus!’
Grootvader gaf met zijn linkerhand de maat aan en sloeg de bladzijden om, onderwijl langzaam neuriënd. Daarna volgden om beurten de trompetten, de bugels en de trombone de melodie om hem van buiten te leren. Af en toe zei grootvader vreemde dingen: mol, kruis, tremolo… De blazers begrepen niet met hun verstand wat ze niet begrepen met hun oren. En dus wees grootvader met zijn duim omhoog terwijl hij ‘mol’ zei, en stak hij deze omlaag wanneer hij ‘kruis’ zei, alsof hij iemand wenkte om zijn glas nogmaals bij te vullen, en de tremolo was een licht gefladder met de vingers. Wanneer zijn stem er niet meer bij kon, pakte hij zijn viool en ging verder waar zijn stembanden hem in de steek lieten. Daarna liet hij hen zingen, als een zevenstemmig koor. Eigenlijk zes, want Mantu blies op gezette tijden zijn wangen bol, wanneer grootvader hem daartoe aanspoorde met zijn tot een vuist gebalde vingers, daarna pufte hij: boem-boem, waarbij hij op de grond stampte ter ondersteuning. Hun koor was eerder een gemompel. ‘Je moet het eerst met je stem beheersen,’ zei grootvader, ‘en dan pas met je vingers… Je moet het van binnen zingen, zodat het van buiten goed te horen is.’ En dan: ‘De trompetten luider!’ En tii-tiii-taaaa, miauwden de gebroeders Câltea. Ba-da-bam, trappelde Budişteanu in een poging de trombone na te bootsen. En eronder, boem, boem, Mantu’s tuba.
‘Laat eens horen wat je te doen staat!’ verlangde grootvader van hem.
‘Als u dood bent, chef…’ stamelde Mantu.
Steevast begon de zigeuner, tegen zijn normale doen in, te snotteren, alsof hij op het punt stond in huilen uit te barsten.
‘Genoeg met die onzin,’ kapte grootvader hem af. ‘Wees een vent, schaam je je niet voor die tuba die je met je meezeult? Vertel op!’
‘Hete oven, chef.’
‘Precies!’ bevestigde grootvader.
Hij liet hem eindeloos ‘Hete oven’ herhalen, totdat dit de enige manier bleek te zijn om hem die naam te laten onthouden.
‘Beethoven dus! En verder?’
‘Andante… Zachtjes dus…’
‘Rustig, muzikant. De ene keer zachtjes, de andere keer hard. Maar rustig…’
‘Ja, chef!’
‘En zonder fouten…’
‘Op het licht van mijn ogen…’
‘Anders sta ik op uit de dood.’
‘Sta maar op, chef!’
‘Deze jongen is mijn getuige,’ zei grootvader. ‘Kom eens hier,’ wenkte hij mij.
Ik stopte met spelen met de kastanjes en kwam dichterbij.
‘Kijk in mijn ogen en zeg me na, zodat hij je ook hoort.’
‘Hete oven… De negende… rustig… zonder fouten…’
Het was Mantu te veel geworden. Hij stikte van al dat gepraat. En om zijn hoestbui te smoren, zette hij de tuba aan zijn lippen. Het gehoest veranderde in het hakkelende gezang van het instrument. Grootvader liet zich voor de mal houden en verwijderde zich, met mij aan de hand en met in zijn kielzog de klanken van de tuba, die vergeefs trachtten de gaten in Mantu’s week geworden longen te overstemmen.
Strada Patriei was de zigeunerwijk. Hij kwam uit op Strada Tăbăcarilor bij de barrière, de kant van het dorp Câmpineanca uit, daar waar zich het winkeltje van Angheluţă bevond, met aan de andere kant van de barrière de begraafplaats met nog iets verderop, naast de zoom van het bos, het Armeense kerkhof. Een lange rechte straat, onverhard en omgeploegd door de zware karren van de koperslagers die oud ijzer inzamelden. Met scheve, omgevallen of wankele en in de haast gestutte schuttingen, of helemaal zonder – ‘schuttingen zijn niet nodig, want een zigeuner steelt niet van zijn buurman,’ zei Mantu trots – met lemen huizen die schuine ramen hadden, zodat de warmte in de zomer niet zou binnendringen en in de winter niet zou ontsnappen. Het waren armzalige stulpjes, bij sommige zaten er geen ruiten in de ramen, andere hadden dekens in plaats van deuren, zonder schoorstenen, met kachelpijpen die door het raam naar buiten staken, zodat de lucht werd verzuurd, die toch al scherp was van allerlei geuren die opstegen uit de rommelige moestuinen achter de huizen. Degenen die een kar bezaten, hadden ook een schuur gebouwd, tegen het huis aan, voor de dieren. Zodat ’s winters de dieren de muur van het huis verwarmden met hun adem op de plaats waar, aan de andere kant van de lemen muur, de mensen hutjemutje bij elkaars zaten. ‘Zoals we niet naar de Boeg* hebben willen gaan, zo wilden we ook niet naar de stad gaan,’ verklaarde Mantu de ordening van de zigeunerwijk aan Strada Patriei. ‘Maar de stad heeft ons opgeslokt…!’ Afgezien daarvan was het gezelligheid troef. De vrouwen praatten aan één stuk en riepen naar elkaar van de ene naar de andere kant van de straat, ontelbare snotneuzen speelden tussen de ganzen in de modder, loslopende honden lagen te soezen en zochten met name hun toevlucht naast de bouwvallige muren van mensen die de armoede vrijgevig had gemaakt. ’s Zomers droogde de modder op en barstte, de wielen van de karren knarsten en kinderen deed hardloopwedstrijden en renden achter fietswielen met kapotte banden aan. In de herfst verdiepte de modder zich en kroop tegelijk, als klimop, tegen de huizen en de schuttingen op. Het was net zo in het voorjaar, wanneer de dooi hem kneedde. ’s Winters was het echter mooi, net als overal elders, wanneer het sneeuwde, zelfs nog mooier, want omdat er minder gestookt werd dan in andere huizen, bleef de sneeuw langer liggen. Wanneer de sleebaan op Strada Patriei begon te smelten, wist je zeker dat er geen andere meer in de stad over was.
De muzikanten waren de boodschappers van de dood, maar tegelijk namen ze die met zich mee wanneer ze zich verwijderden, als een geketende beer, en de lucht vulde de leegte dadelijk weer op. De hemel daalde tot op grasspriethoogte en de rook steeg op tot de hemel.
Grootvader was een hartstochtelijk liefhebber van boeken. En daarom is het juist toen gebeurd. Aldus:
DE DAG WAAROP DE BOEKEN WERDEN VERBRAND. De lijst met verboden boeken was bezorgd door de postbode. De aanhanger heeft drie dagen op de straathoek gestaan. De mensen sjouwden zakken vol met boeken. Ze wisten niet of het wel of niet een goed idee was om te laten zien dat ze verboden boeken in bezit hadden gehad. Boeken brengen mensen op verkeerde gedachten en doen volksvijanden ontstaan. De lijst met boeken was zo lang, zelfs teksten uit de schoolboeken stonden erop, dat het onmogelijk was dat iemand niet minstens één verboden boek in huis had. De mensen propten gegeneerd de boeken in zakken en haalden opgelucht adem toen ze die afgaven aan de man in de overall, op de treeplank van de aanhanger aan het uiteinde van de straat. ‘Het is beter zo. In plaats van dat zij komen zoeken, kunnen we ze liever zelf brengen.’ ‘Al goed, maar wij hebben geen enkel boek van die lijst. Of misschien één of twee… Waar vullen we de zak dan mee?’ ‘Wat maakt dat uit?’ zei het gezinshoofd met een schouderophalen. ‘We gooien er gewoon iets in wat we in huis hebben… Uiteindelijk zullen zij ze allemaal verbieden, dan kunnen we ze beter in één keer kwijt. Wat heb je vandaag de dag nog aan boeken van gisteren? Al die herinneringen brengen alleen maar narigheid.’
Niemand was de boeken komen onderzoeken, ze waren niet meer uit de met waslijn dichtgebonden zakken gehaald. Dan was het lossen eenvoudiger. Om plaats te maken op het plein, voor het Pastia-theater, waar op wonderbaarlijke wijze de buste van Mitiţă Filipescu was blijven staan, schoven graafmachines de neergegooide zakken aan de kant. Er werden zoveel boeken ingezameld dat het hele plein vol lag: losse bladzijden zweefden langs als witte vogels, dartelend in de bries. Ze werden omgewoeld door voetstappen, de boeken probeerden te ontkomen, ze voelden dat er iets niet in de haak was, de mensen hadden hen tot dan
toe niet zo behandeld. Met laarzen werden ze teruggeschopt naast de andere. Ze vlogen door de lucht, met uitwaaierende pagina’s, en doken dan ineen in afwachting tot er in plaats van de schacht van een laars een hand zou komen om in ze te bladeren. Schuivende graafmachines, opengescheurde zakken waar een mengelmoes van vellen en omslagen uit stroomde, met de geur van een oude secretaire, van niet opengevouwen doeken. Toen de doordringende stank en de glinstering van de erover uitgegoten benzine. En het vuur. Ik was in die tijd nog niet geboren, mijn vader was een jongeling van nauwelijks twintig, slank en met een snorretje, hij keek toe zonder zelfs maar te kunnen huilen, want de gloed van het vuur schroeide zijn wangen en droogde zijn tranen.
De vlammenzee woedde de hele nacht. De bewakers van het vuur, die wel reuzen leken doordat ze werden gerekt door het licht van de vlammen, wierpen enorme schaduwen over de mensen die stilzwijgend toekeken, over de huizen en de ramen, over de stad. In de vroege ochtend steeg er rook vermengd met vonken op uit de smeulende puinhopen. Boven de stilte van de stad uit, vanaf het landje aan de straat die pas later een naam zou krijgen, klonk de muziek van Mantu’s blazers op. De fanfare had de hele dag gespeeld, tot aan de avond, met in hun midden mijn grootvader Garabet, die in de partituren bladerde. Aldus stegen de rookwolken niet op, maar bleven dik en grauw hangen, als een oude boekomslag. Pas toen hen het bericht bereikte dat er gewapende soldaten naar hen op zoek waren, verspreidden de zigeuners zich naar hun armzalige huisjes. Eenmaal ontketend stegen de rookwolken op en verwaaiden. De mensen keken verbouwereerd naar de dikke rook, die als een straf aan de hemel hing. Pas na het vallen van de nacht klaarde de hemel op en werden de sterren zichtbaar. Op de dag dat de boeken werden verbrand, ging de ene nacht in de andere over zonder zonsopkomst en zonsondergang, alleen via een verstikkende schemering. Dat was de kracht van Mantu’s tuba en van de andere muzikanten, een kracht waar zijzelf bang voor waren, zonder hem te kunnen begrijpen.
Net als voor de onvermurwbare blikken van grootvader Garabet, druk in de weer met zijn partituren. Ze transpireerden onder het spelen. De stoet trok over Strada Tăbăcarilor tot aan de begraafplaats, toen klopte Mantu aan bij onze poort om een glas wijn en erbarmen. Dat grootvader hem niet toonde. ‘De saxofoon,’ sprak hij streng. ‘Wat is er met de saxofoon?’ vroeg de muzikant met doffe stem. ‘Hij heeft een halve toon te hoog gespeeld…’ ‘Budişteanu is verkouden…’ probeerde Mantu. ‘Zijn oren zitten verstopt.’ ‘Foutloos, heb ik je gezegd!’ eiste grootvader, en de zigeuner slikte iets weg.
Uiteindelijk is het inderdaad foutloos gegaan. Alleen was degene die de weinig talrijke stoet aanvoerde mijn grootvader Garabet geweest en de muziek had niet langs Strada Tăbăcarilor geklonken, maar was begonnen aan Strada Patriei. Mantu heeft geen ziekbed gekend. Hij ging op zijn zij liggen en blies hoestend zijn laatste adem uit. Om zijn droge hoest te verhullen, had hij, met zijn laatste krachten, de tuba naar zijn mond gebracht, zodat ze allebei tegen de muur konden leunen. Uit de trechter kwamen hortende klanken, in het ritme waarin de zieke longen er de brui aan gaven. Toen het geluid niet meer haperde, maar ononderbroken en gelijkmatig werd, als een apparaat dat aan het hoofdeind van een zieke aangeeft dat zijn hart is gestopt met kloppen, begrepen de anderen dat het voorbij was. Het geluid bleef doorklinken. Fofoc bukte en haalde het mondstuk van zijn lippen, zodat Mantu’s ademhaling rust kon vinden. Toen kon de hemel neerdalen, als een vogel die, na almaar rondjes te hebben gedraaid in de lucht, ten slotte op de aarde neerstrijkt. En de rookwolken konden opnieuw opstijgen, zoals het gras dat weer tot zichzelf komt als de paarden eenmaal voorbij zijn.
[fragment 3, p. 168 t/m 181]
In onze doos met foto’s heb ik er net zo een gevonden, van kleiner formaat. Zo werd het me duidelijk dat de foto op het kerkhof een uitvergroting was die mijn opa had gemaakt van de kleine foto, met beter te onderscheiden gelaatstrekken. Op de achterkant stond een nauwelijks te ontcijferen handtekening: ‘Onik Tokatlian.’ Met eronder: ‘Onderweg naar Odessa, 10 april 1944.’
Om echter het verhaal te kunnen vertellen van de man wiens foto op de Armeense begraafplaats stond, op een plankje waarboven, dankzij de goede zorgen van Arşag of van wie er anders toevallig langskwam, de nooit slapende olielamp brandde, dien ik het verhaal van een andere man toe te voegen, die u niet zult terugvinden in enig van de dozen met foto’s van de oude Armeniërs uit mijn jonge jaren: Mesia Khacerian.
Ook later is het me niet gelukt een foto van Mesia Khacerian uit de jaren veertig te bemachtigen, hoewel ik verwoed heb gezocht, want hij mag niet ontbreken in Het boek der fluisteringen. Omdat het aan hem en aan anderen zoals hij te danken is dat dit boek is beleefd alvorens het is geschreven en, vooral, op een fluistertoon is gelezen.
Een mooiere naam dan deze is een zeldzaamheid. Mesia betekent in het Armeens wat het, voor iedereen die genegen is het te begrijpen, in het Roemeens of in iedere andere christelijke taal betekent. Khaci betekent, in het Armeens, kruis. Wij behoren Mesia Khacerian derhalve Messias van het Kruis te noemen. Een tragische ironie, aangezien Mesia zich in werkelijkheid, reeds vanaf zijn jeugd, aan de kant van de Antichrist had geschaard.
Onlangs heb ik een foto van hem gevonden. Daarop is hij op de hoek van een tafel gezeten, naast de bariton David Ohanesian en de graficus Cik Damadian, en hij wierp steelse blikken op Martiros, de grote schilder die een bezoek bracht aan Roemenië. Aandachtig en sluw, met samengeknepen lippen. Reeds op leeftijd, zeg je bij zichzelf, want zijn haar is volkomen wit.
‘En wat dan nog,’ zou mijn grootvader Garabet met een minachtend schouderophalen hebben gezegd, en hij sprak zijn naam met tegenzin uit. ‘Je kunt uit de witheid van zijn haar niets opmaken, zouden ook anderen die hem uit de weg gingen hebben gezegd, of hij jong of oud is. Mesia’s haar is al zo zolang we hem kennen, het is wit geworden in de gevangenis, waar hij op zijn dood wachtte. Die is niet voor hem gekomen, maar omdat de dood een zwak voor hem had, heeft hij zich wraakzuchtig betoond ten aanzien van anderen.
Dit verhaal, over wat het verband is tussen Onik Tokatlian en Mesia Khacerian, waarom voor de eerste een olielamp wordt gebrand boven zijn foto, ter nagedachtenis, terwijl van de ander alle sporen zijn verdwenen uit de schoenendozen met foto’s van de oude Armeniërs, is een van de verhalen zonder welke Het boek der fluisteringen niet kan worden begrepen. Het stille gebed van de mannen op de Armeense begraafplaats in Focşani, de brieven naar Argentinië, met hun laconieke conclusie, de spiedende blikken van Arşag wanneer hij tevoorschijn kwam uit de crypte van Seferian, waarbij hij, als aan een klokkentouw, een streep licht met zich meetrok, kunnen niet worden begrepen zonder de trotse verschijning van Onik Tokatlian, gezagvoerder op de grote vaart, beladen met decoraties en tressen, en zonder het witte haar van Mesia Khacerian.
Ieder van hen heeft, op zijn eigen manier, de dood gekozen, en de dood heeft tussen hen gekozen, uit liefde, op zijn eigen manier, voor allebei.
Ze hebben elkaar één enkele keer ontmoet, op de bestrate laan die omhoog liep van het kantoor van de havenmeester in Constanţa naar Piaţa Ovidiu. Zelfs als ze elkaar nooit eerder hadden gezien, was de herkenning ogenblikkelijk geweest. Mesia Khacerian omdat hij Onik Tokatlian zo lang had bespied en gehaat. En Onik Tokatlian omdat hij Mesia Khacerian zo lange tijd was ontlopen. Ze kwamen naar elkaar toe, Onik met die stramme tred van hem, Mesia trekkend met zijn verlamde been. Ze wisselden slechts enkele woorden, vervolgens liepen ze van elkaar weg, zonder omkijken. Ik zal die op een fluistertoon uitgesproken woorden optekenen, want ze hebben hun bestaansreden in Het boek der fluisteringen.
Onik Tokatlian was geboren in Brăila. Zijn ouders waren na de slachtpartijen van 1895, in de tijd van sultan Abdul Hamid, naar Roemenië gekomen. Hij ontving een voortreffelijke maar strenge scholing. Hij voltooide het Duits Lyceum en de School voor koopvaardijofficieren. De Armeniërs zijn een volk van het vasteland. Sinds mensenheugenis hebben zij de volken van de zee met wantrouwen bezien en hebben zij zich ervoor gehoed om de confrontatie met de zee aan te gaan, behalve om twee oevers met elkaar te verbinden. Met uitzondering van een korte periode gedurende de Middeleeuwen, in de tijd van het koninkrijk van Cilicië, toen ze houten schepen bouwden waarmee ze de Middellandse Zee bevoeren, hebben de Armeniërs de zee eerder gezien als een weg van de wanhoop, het laatste redmiddel.
Onik Tokatlian was een man van de zee. Hij bevoer de Middellandse Zee, in het spoor van zijn Cilicische voorouders, hij vervoerde en verscheepte goederen van Constanţa naar Constantinopel, Piraeus, Triëst of Marseille. Maar op het moment dat de zee opnieuw de laatste uitweg werd, liet Tokatlian de handelsreizen voor wat ze waren en nam een schip over dat militaire transporten voor het oostfront verzorgde. Als kapitein van het schip Ardealul nam hij deel aan de operatie genaamd ‘60.000’, dat wil zeggen: de evacuatie van de Roemeense militairen die op de Krim omsingeld waren. Hij ontving daarvoor talloze Roemeense onderscheidingen, maar ook het IJzeren Kruis, als blijk van de erkentelijkheid van Duitsland.
Mesia Khacerian had daarentegen nauwelijks enige opleiding genoten. Hij was het kind van een stel armlastige Armeniërs die het zich niet konden permitteren om hem meer dan twee of drie klassen te laten volgen, op de Roemeense en Armeense lagere scholen in Constanţa. Daarna werd hij leerjongen in de werkplaats van een schoenlapper en dat is Mesia gebleven, als we alle functies waarmee de geschiedenis hem heeft getooid niet in aanmerking nemen: schoenlapper. Terwijl in Constanţa, die levendige en kleurrijke stad, het gemengde volk van de haven, al deze kooplieden, officieren, advocaten, boekhouders die grote met rood en blauw beschreven registers bijhielden, al deze leerkrachten van het Mircea cel Bătrân-lyceum en intellectuelen van de kroegen de spot dreven, al die lieden met hun redingotes en uniformen, met hun van de banknoten uitpuilende of van de gouden munten rinkelende broekzakken, met de rook van hun bolknakken en met het weidse gebaar om de hoed te lichten tijdens de avondswandeling langs de boulevard bij wijze van begroeting van andere bezitters van redingotes en uitpuilende broekzakken, welnu, zonder uitzondering dreven die voortdurend de spot met de pipse schoenlapper, die met zijn knapzak vol pas verzoold schoeisel zijn klanten afliep, welke zich niet eens verwaardigden hun blikken naar hem op te richten en hem te bedanken.
Mesia kon zich geen betere wereld indenken. Wel een wraakzuchtige wereld. Daarom trad hij toe tot de Communistische Partij en was, in de tijd dat deze ondergronds opereerde, een van zijn ijverige activisten. Toen hij eenmaal hoofd van de personeelsdienst van de Securitate in het district Constanţa was geworden, stortte Mesia Khacerian zijn wraakzucht met genoegen uit over de wereld die, weliswaar zonder zich daarvan bewust te zijn, de spot met hem had gedreven. Hetgeen des te meer verdiende bestraft te worden, want erger dan door de spot die hij voelde schrijnen wanneer hij ineengedoken op de treden van het huis van Manisalian aan de boulevard zat te staren, was Mesia gekwetst door de onverschilligheid van deze wereld die hem, Mesia, nog minder waard had geacht dan een kreukel welke de moeite loont om gladgestreken te worden. Hij wreekte zich methodisch op de uniformen en de redingotes, hij verstrooide de bankbiljetten en schatkistpapieren, hij trok vloeren eruit, hij haalde haardplaten los en brak tegels van de wanden, hij rommelde in lades en doorzocht boeken in de boekenkast, hij gaf dagloners opdracht de tuin om te spitten en de houtschuren leeg te halen op zoek naar gouden munten, hij haalde de grote huizen leeg en smeet de eigenaars de straat op. En vooral, bij het zien van die kreupele man met het witte haar, dat hem anders een zekere gedistingeerdheid had verleend maar dat, in die omstandigheden, slechts een reden tot angst te meer was, bij het zien van Mesia dus, wisten ze dat er geen ontkomen meer aan was. Hij bekeek hen om beurten, genoot van hun vrees, liet hen neerknielen en onderbrak hen niet, ongeacht hoe langdurig, hoe gênant en, uiteraard, hoe nutteloos hun smeekbeden ook waren. Hij was vooral erg verguld met het angstzweet dat, net als paarlemoer, zo zijn eigen licht bezat, want het glom, ongeacht hoe donker het was. Mesia bezag hoe de zweetdruppels zich verzamelden bij de neuswortel, op de slapen, hoe ze tappelings omlaag liepen, hoe de ineengedoken mensen, met hun kinderen aan hun borst of in de haast hun spullen bijeen graaiend, deze probeerden af te vegen met de mouw van hun jas, zonder te weten van hoe diep ze opwelden. Sommigen probeerden hem te tarten met hun blikken, om onverschilligheid te veinzen ten aanzien van de overhoop gehaalde kamers, ten aanzien van het omgewoelde beddengoed en de losgetrokken vloeren. Het zweet welde echter op uit de kieren van hun geest en soms voelde Mesia de aandrang om die druppels op zijn vingertoppen te nemen en ze te proeven. Ongetwijfeld zouden ze als honingzoet op hem zijn overkomen. Maar er was geen tijd verspild, mensen die transpireren verschillen van elkaar, maar hun zweet is eender.
Het huis van Manisalian, op de treden waarvan hij ineengedoken had gezeten om de wandelingen van de redingotes en de plooirokken op de boulevard te aanschouwen, was gesloopt. Hoe dan ook zou hij niets meer aan zijn trap hebben gehad. Nu slenterde hij zelf over de boulevard, gevolgd door twee mannen in leren jassen. De mensen gaven hem ruim baan en wierpen angstige blikken in zijn richting. De vergelding liep voor hem uit, zoals fluitspelers voor de koningen uit gingen. Sommigen kenden hem van gezicht, anderen vermoedden slechts dat hij het was afgaande op zijn slepende tred en zijn witte haar, als een onverdiend aureool. ‘Het is Mesia,’ fluisterden ze, en zo voegden ze deze nieuwe vrees voor hem toe aan Het boek der fluisteringen, dat bol staat van de angsten.
In tegenstelling tot Mesia had Dinar Macarian het avondlyceum gevolgd en hij was nu secretaris van de Armeense school van Constanţa. Hij had een beminnelijk voorkomen en een zachte stem. Hoewel hij het later tot generaal van de Securitate zou schoppen en een tijdlang Roemenië heeft vertegenwoordigd bij de instellingen van de Verenigde Naties in Genève, vertoonde hij diezelfde ongebruikelijke minzaamheid ten aanzien van de mensen in wier midden hij leefde. In Het boek der fluisteringen zult u allerlei personages aantreffen: sommigen komen langs zonder naam en zonder gezicht, anonieme en collectieve personages die zich dikwijls moeizaam voortslepen onder de last van knapzakken of wapens en geen beginpunt en eindpunt lijken te hebben, waardoor ze een zekere berustende droefenis uitstralen. Collectieve personages hebben het zegel van de twintigste eeuw gedragen. Door toedoen van oorlogen, dictaturen, deportaties en slachtpartijen heeft het gemeenschappelijke deel van hun biografieën de overhand gekregen boven de verschillen. Er zijn ook personages die zich hebben onderscheiden, die meer bevelen hebben gegeven dan ze hebben gekregen en die daardoor minder leed te verduren hebben gekregen dan ze om zich heen hebben verspreid. Als we ons echter beperken tot de Armeniërs van Het boek der fluisteringen, was Dinar Macarian in ten minste twee opzichten anders. In de eerste plaats doordat hij, toen hij eenmaal Securitate-officier was geworden, zijn naam veranderde in Ion Moraru – iets wat Armeniërs eigenlijk niet deden – en, in de tweede plaats, omdat het hem gegeven is geweest zijn eigen eeuw te overleven tot in het nieuwe millennium, halfblind en teruggetrokken in een huis aan de rand van Boekarest, in het dorp Pantelimon, waar hij toch nog de kracht wist te vinden om zijn Armeense naam weer aan te nemen, die in zijn grafsteen staat gebeiteld.
Wij zijn nu echter pas in april 1943. Mesia Khacerian en Dinar Macarian waren net gearresteerd door de Siguranţă.* Achter de Armeense school, waar Dinar zijn secretariaatswerkzaamheden verrichte, bevond zich een wapendepot van de Duitsers. Dinar had de plattegrond van het depot bestudeerd en hij had besloten dat, om er zeker van te zijn dat alles de lucht in zou vliegen, dit de meest geëigende plaats was om de bom te plaatsen. Mesia ging naar Boekarest om springstof te bemachtigen. Alles wat ik heb weten te achterhalen door Mesia’s spoor te volgen, die echter zwart haar, een gezond been en een vlotte tred had, is dat hij een persoon heeft ontmoet die hij Duşa noemde en die hem een tas heeft overhandigd met alle benodigdheden voor het vervaardigen van een bom. Later zijn ze erachter gekomen dat alles wat hierop volgde te wijten was aan deze Duşa, die in Boekarest was aangehouden. Duşa bekende en werd tot een gevangenisstraf veroordeeld. In Mesia was de haat sterker dan de pijn. Hij doorstond de martelingen zonder iets toe te geven. Als gevolg van de ondergane kwellingen kleurde zijn haar helemaal wit en bleef hij voor de rest van zijn leven kreupel. Daar maakte hij zich niet zo druk over, want het zag ernaar uit dat de rest van zijn leven kort zou zijn. Mesia Khacerian werd schuldig bevonden aan sabotage en ter dood veroordeeld, net als, samen met hem, Ardaş Torosian, Hacig Kazangian en Garabet Daglarian, dezelfde die we enkele jaren later weer zullen tegenkomen op de dek van het schip Rassia, te midden van andere repatrianten. Kort voordat de straf ten uitvoer zou worden gelegd, ging het Roemeense leger, op 23 augustus 1944, over naar het andere kamp en althans voor Mesia Khacerian bleek het Rode Leger een bevrijdingsleger te zijn. Mesia keerde terug onder de mensen met dat nieuwe, eenvoudig te herkennen voorkomen, maar onvermurwbaar en daarom iemand om wie je niet heen kon. Hij was betrokken bij het opzetten van de Staatsveiligheidsdienst in Dobrogea,* waarvoor hij mensen zoals hij rekruteerde, die haatgevoelens koesterden en zich voedden met de angst die ze om zich heen verspreidden.
In dezelfde tijd haalde Onik Tokatlian het IJzeren Kruis van zijn borst, dat hij kort voordat de Russen het land waren binnengekomen had ontvangen, en stopte het in een la, naast de Kroon van Roemenië en de Militaire Verdienste, verkregen aan het oostfront, waarheen hij wapens had vervoerd en vanwaar hij, in het voorjaar van 1944, hals over kop Roemeense, Duitse en Slowaakse soldaten en officieren alsmede oorlogsmaterieel had geëvacueerd uit de omcirkeling door het Sovjetleger. Na afloop van de oorlog keerde Onik Tokatlian terug naar de koopvaardij op de route van Constanţa, via de Middellandse Zee, naar Marseille. Maar zoals voor vele anderen was de oorlog voor hem nog niet afgelopen en hij bleef omsingelden redden. De oorlog werd niet langer gevoerd tussen landen en legers, want die was echt afgelopen. Hij was echter te kort geweest als je keek naar alle redenen die hij had gehad om uit te breken. Daar waar landen niet langer oorlog voerden met elkaar en op adem probeerden te komen na de strijd, begonnen mensen binnen één en hetzelfde land oorlog te voeren. In plaats van granaten waren het woorden die doodden. Kil en meedogenloos was er een andere oorlog over Europa neergedaald, waarin het woord het dodelijkste wapen was.
De bonte wereld van de kooplieden bleek weerloos. Koopwaar was steeds moeilijker te vinden, de beurzen waren amechtig, gouden munten begonnen te verdwijnen, verborgen in de aarde, in pleisterwerk, onder vloeren, in het holst van de nacht en onder ede weggeglipt, als de slang des huizes. De bankbiljetten werden steeds groter en steeds fraaier gekleurd, maar tegelijkertijd steeds minder waard. In Constanţa dreigden de mensen van Mesia Khacerian. Ze waren te herkennen aan hun leren jassen, aan de bobbel rechts op hun heup, waar ze hun pistoolholster droegen, en aan hun schaduwen, die langer waren dan die van anderen. Nu het in de haven steeds stiller werd, nu de kranen stilstonden in afwachting van schepen die niet meer kwamen, nu de koopwaar gevorderd was, nu de etalages al grauw waren geworden doordat er een anders soort as was neergedwarreld, waren de winkels steeds minder vaak verlicht, totdat hun luiken voorgoed werden neergelaten. Binnen enkele jaren waren de winkels gesloten en waren ze geschrapt uit de handelsregisters. In plaats ervan kwamen andere winkels, somber, armoedig en zonder naam of eenvoudigweg ‘Brood’, ‘Tabak’, ‘Levensmiddelen’ of ‘Textiel’ geheten, of, om niet enige verplichtingen voor de verkoper te scheppen of hoop bij de koper te wekken, alleen maar ‘Winkel’. Anders dan de protserige of grillige, ijdele en exotische namen, met fraai gekleurde etalages en schitterende vloeren, dikwijls bedekt met dikke kleden uit Karabach of Boechara. De neringen bij elkaar vormden een waarachtige Arke Noachs: ‘In de kalkoen’ van Zadig Taţichian, ‘In de tijger’ van Agop Kazazian, ‘In de olifant’, de firma zo groot als een verdieping van Chircor Siropian, ‘In de mier’ van Ovanez Daghlarian, ‘In de papagaai’ van Maria Grigorian, ‘In de duif’ van Krikor Selian, ‘In de ooievaar’ van Levon Horasangian, ‘In de kameel’ van Pilibos Kevorkian, ‘In de haan’ van Manuc Ovanesian, ‘In de hinde’ van Agop Apcarian, ‘In de adelaar’ van Maria Levonian of ‘De oeros’ van Onic Kazazian. De bedrijven van de Armeense kooplieden boden een eindeloze reis langs de wegen van de Oriënt. ‘In India’ nodigde de winkel in koloniale waren van Ervant Krikor je uit, ‘In Egypte’ lokte je, eveneens te midden van koloniale waren, Micael Arichian. ‘Aan de Bosporus’ bracht Chircor Diarbechirian je in herinnering, of ‘In de Kaukasus’, Aram Mariginian, En verder: ‘Arabia’ – Nişan Ovanisian, ‘In Buchara’ – Nubar Papazian, ‘In Ceylon’ – Dicran Balian. De reis voerde niet alleen over de wegen van de Oriënt, maar ook naar de nadir ervan: ‘Op de maan’ van Mardiros Zacarian, ‘Op Venus’ van Nazaret Aramian of, verdere verwijderd dan alle anderen, ‘Op de planeet Jupiter’ van Mihran Dobagian. En nog andere, met snoeverige namen, met omhullende aroma’s en glibberige glimlachjes: ‘Ideaal’ was de belofte van Hapet Kasparian, de ‘Zwitserse horlogerie’ van Sarchis Boghosian, ‘Haarmode Elite’ van Suren Abramian, ‘In de chique ridder’ van Armenac Silvian, ‘In het gouden hoefijzer’ van Victoraş Cardaşian, ‘In de moderne lamp’ van Haigazun Pilibosian. ‘Bon Marché’ beloofde Esai Eramian of, meer voor ieders begrip, ‘In de goede koop’ van Arşag Mardiors, en verder, ‘In de Amerikaanse horlogerie’, ja zelfs ‘In de Amerikaanse wasserij’, ‘In de bazaar Concurrentie’ ‘Internationale haarmode’, ‘In de speciale horlogerie’, ‘In de speciale kroon’, ‘In de koninklijke kroon’, ‘In de spoorwegklok’, ‘Speciaal brood’, ‘In de dichte schaduw’, ‘In de moderne chic’, ‘Miss Roemenië’ van mevrouw Araxi, ‘Bakkerij Triomf’, ‘In het miljoen’, ‘Origineel’. Winkel na winkel, langs Bulevardul Ştefan cel Mare, langs Bulevardul Carol, op Piaţa Ovidiu, langs de rechte en zonovergoten straten van de stad, gebleekt door de zilte bries, als bonte en luidruchtige vogels. En in deze Arke Noachs bleef de regenboog als laatste over, een teken dat het water zich had teruggetrokken, maar dat de wolken, grijs doch droog, zich weer aan het vergaren waren. Als laatste, geschrapt in 1948, sloot de winkel voor schoenen en verf met de naam ‘De regenboog’ van de gebroeders Agop en Garabet Kumbetlian. Voor zijn koppige volharding om de zaak draaiende te houden en de luiken iedere ochtend opnieuw weer op te trekken, werd Agop opgesloten in Poarta Albă, in het werkkamp.
Deze behoorden allemaal tot degenen die een kleine nering, manufacturen of werkplaatsen met een paar leerjongens hadden gedreven. Op de plaats achter de zaak bevond zich dikwijls ook het woonhuis. Het geld werd in de koopwaar gestopt en het besluit om te sluiten kon niet van de ene dag op de andere worden genomen, maar alleen door een geleidelijk afbouwen van de voorraad.
Er waren echter ook kooplieden die erin waren geslaagd om geld opzij te leggen, dat ze vervolgens in goud en edelstenen hadden omgezet. Deze waren als eersten vertrokken. Van de anderen hebben sommigen pas vijftien jaar later de stap gewaagd om via Libanon naar Amerika te reizen, in het kader van een actie van de gehele Armeense diaspora. In 1945 waren de tijden echter verward, net als de muren, net als de mensen. Je wist niet wie je kon vertrouwen. Wie wilde vertrekken, vertelde dat aan niemand. Ze lieten zelfs nutteloze, maar geruststellende woorden achter, morgen zien we elkaar op de koffie of voor een sorbet, ze leenden geld uit of bestelden goederen die ze vooraf betaalden, opdat niemand iets zou vermoeden. Vervolgens propten ze de edelstenen in zakjes, stopten de zakjes onder in hutkoffers en vertrokken in alle vroegte met de auto naar Constanţa. Vanuit Galaţi, vanuit Brăila, vanuit Sulina, vanuit Boekarest. Daar probeerden ze overdag op te gaan in de drukte van de stad, ’s nachts daalden ze af naar de haven, waar een vertrouwensman van Onik Tokatlian op hen stond te wachten om hen te verbergen in de vochtige en donkere buik van het schip, tussen de balen koopwaar. En eenmaal in Marseille zegenden ze Onik Tokatlian en probeerden hem vergeefs te bewegen om een edelsteen naar keuze aan te nemen bij wijze van dankbetuiging, gingen de stad in en zochten onderdak binnen de, overigens omvangrijke, Armeense gemeenschap in de havenstad, of stapten over van het ene schip op het andere, naar nog verder verwijderde en derhalve nog meer beschutte plaatsen. Op deze wijze zijn de welvarende families van Armeense kooplieden, Israelian, Varteresian, Diarbekirian of Seferian, tussen de zakken rijst, stapels laken, blikken olijven of containers met graan terechtgekomen in Buenos Aires, zo is de crypte van Seferian leeg gebleven, slechts beschenen door de vlam van de olielamp die brandde naast de gezagvoerder op de grote vaart Onik Tokatlian.
We zijn nog aan het begin van de maand 1946, Onik Tokatlian heeft zoals altijd toezicht gehouden op het lossen van de goederen aan boord van zijn schip, heeft wat geld uitgedeeld onder zijn bemanning en toen alles in orde bleek te zijn, heeft hij de haven verlaten, via de omhooglopende bestrate laan die het kantoor van de havenmeester verbond met Piaţa Ovidiu. In die tijd stonden de bomen dichter op elkaar. Onik herkende de ander nog voor hij uit de duisternis was getreden, vanachter de bomen vandaan. Hij herkende hem aan het ongelijke geluid van zijn voetstappen. Het vroor, maar Mesia Khacerian droeg geen muts en zijn haar glansde.
Aangezien er verder niemand getuige is geweest van hun gesprek, kunnen we het hier zonder fouten weergeven. Met name omdat we er, gezien de nasleep, naar kunnen raden.
Mesia zei: ‘Ik weet alles, Onik Tokatlian.’
De gezagvoerder vroeg hem niets, hij ontkende niets en gaf niets toe. Het had gewoon moeten gebeuren. Mesia vervolgde, met een stem zo droog als een brekende tak: ‘Tijdens de volgende reis ga je van boord in Marseille en verdwijn je. Dat is alles wat ik voor je kan doen. Als je terugkomt, arresteer ik je wegens hoogverraad.’
Toen kwamen ze naar elkaar toe. Het zou louter een monoloog zijn geweest als op het moment dat ze oog in oog met elkaar stonden, Onik Tokatlian niet zou hebben gezegd: ‘Moge God je vergeven, Mesia.’
En Mesia zou niet hebben geantwoord: ‘Moge God je vergeven, Onik.’
De nieuwe wereld, waar nieuwigheden het gevaarlijkst waren, was eerder gewend geraakt aan wat de communistische schoenlapper Mesia Khacerian zei dan aan de woorden van Onik Tokatlian, held in de oorlog tegen het bolsjewisme. Het lijdt geen twijfel dat Onik, onderscheiden met het IJzeren Kruis en redder van de Roemeense troepen die aan het oostfront hadden gestreden, hoe dan ook later zou zijn gearresteerd, samen met vele andere officieren van het Roemeense leger, voor wie, qua respect, een uniform niet hetzelfde was als een overall en de daden van helden niet gelijkstonden aan die van deserteurs of gevangenen die gelijktijdig met het Rode Leger terugkeerden.
We kunnen ons voorstellen, eveneens zonder fouten te maken, dat dit korte gesprek heeft plaatsgevonden in het Armeens. Mesia had veel van zijn moeder gehouden. Ze was een beklagenswaardige vrouw geweest en net als de overige vrouwen die ’s zondag bijeenkwamen naast de Armeense school aan de kust, die na de brand van 1942 tot kerk was omgebouwd, was ze ervan overtuigd dat er niets, zelfs leed niet, kan bestaan zonder God. Mesia zou dit woord hebben kunnen uitspreken ter nagedachtenis aan zijn moeder of omdat de van onze ouders geleerde woorden niet uit begrip maar uit gewoonte uit onze mond komen.
Ze gingen uiteen zonder omkijken. Mesia Khacerian naar een van zijn nachtelijke invallen, en Onik Tokatlian naar het station, om de trein naar Boekarest te nemen, naar huis. Mesia Khacerian heeft zoals altijd zijn mensen geïnspecteerd. Sommigen van hen waren goede zoekers. Die hadden een neus voor de geur van goud en haalden verborgen muntstukken tevoorschijn uit plaatsen waarvan je het bestaan niet had bevroed. Mesia zocht nooit, hij keek alleen toe.
Onik Tokatlian, daarentegen, heeft daarna niemand meer ontmoet. Want niemand kan zich herinneren hem nog gezien te hebben. Hij is naar huis gegaan, naar de eenzaamheid van zijn kamertje van zeeman op de grote vaart. Hij heeft zijn gala-uniform uit de hutkoffer gehaald, het uniform met de gouden tressen, hetzelfde wat hij draagt op de foto in Seferians crypte. Hij heeft zich geschoren, waarschijnlijk had hij zichzelf niet helemaal meer onder controle, want later is er bij hem een dun sneetje, van het scheermes, onder het oor waargenomen. Hij trok met zorg het uniform aan, van de sokken en de koppel tot de gesloten gesp. Hij speldde al zijn decoraties op zijn borst, waarschijnlijk inbegrepen het Duitse IJzeren Kruis. Dat is echter niet meer aangetroffen, een van de mannen die enkele dagen later de kamer zijn binnengestormd, en die vast en zeker tot zijn vriendenkring behoorde, heeft het van zijn borst getrokken en weggegooid, omdat hij er – wat volslagen onzinnig was – van uitging dat Onik Tokatlian toch nog beschermd diende te worden en dat de nieuwe inquisiteurs hem, zelfs in de staat waarin hij was aangetroffen, nog kwaad konden doen.
Vreemd is het feit dat Onik Tokatlian op die momenten de behoefte heeft gevoeld zichzelf in de spiegel te bekijken. Hij heeft zogezegd geweigerd zich te laten blinddoeken en heeft de dood in de ogen gezien. Vervolgens heeft Onik Tokatlian, feestelijk aangekleed, terwijl hij zichzelf in de spiegel bekeek en zo afscheid van zichzelf nam, een kogel door zijn hoofd gejaagd.
Het Armeense kerkhof was afgeladen. De familieleden van degenen die erin waren geslaagd te vertrekken, hutjemutje in de ingewanden van schepen en onder de hoede van gezagvoerder Tokatlian, degenen die op hun beurt hadden willen vertrekken en dat niet meer konden en vele anderen, een zeer gemêleerd gezelschap. Te midden van hen ook onbekende, spiedende gezichten, die niet waren gekomen om te wenen en ook niet de moeite namen te doen alsof. En toch hebben de andere mensen gehuild, ook al wisten ze dat ze in de gaten werden gehouden. Ondanks de veelsoortige beperkingen van de tijden die hun opwachting maakten en die zich zouden doen gelden, bleek de traan zich nog niet te laten knechten.
Uit het Roemeens vertaald door Jan Willem Bos
* Gheorghe Gheorghiu-Dej, secretaris-generaal van de Roemeense Communistische Partij in de periode 1945-1965, voorganger van Nicolae Ceauşescu. (vert.)
* Colivă, internationaal beter bekend onder de Griekse naam kolyva, is gezoete tarwe die wordt gegeten op begrafenissen ter nagedachtenis van de overledene. (vert.)
* De Boeg is een rivier in Oekraïne. (vert.)
* De Siguranţă is de benaming voor de vooroorlogse Roemeense veiligheidsdienst. (vert.)
* Dobrogea (in het Nederlands ook wel Dobroedzja) is de Roemeense naam van de regio tussen de Donau en de Zwarte Zee. (vert.)